Actualiteiten

Achteraf gewekte schijn

Door mr. U.T. Hoekstra

Een burger koopt onroerend goed van de gemeente Dronten. Over de afwikkeling van de koopovereenkomst ontstaat een geschil. Dat wordt beslecht door een vaststellingsovereenkomst, namens het college ondertekend door een ambtenaar, inhoudend dat de hoogte van het schadebedrag op basis van bindend advies wordt vastgesteld. De nota van de bindend adviseur wordt voldaan, maar de gemeente weigert het bedrag te voldoen. Zij stelt zich op het oordeel dat de ambtenaar niet bevoegd was, dat er geen schijn van bevoegdheid is gewekt en dat het optreden van de ambtenaar ook niet voor risico van de gemeente is.

 

De burger start een kort geding en in eerste aanleg wordt zijn vordering toegewezen. Daarna start de gemeente een bodemprocedure. Zowel de rechtbank als het hof wijzen de vordering van de gemeente toe, zodat de burger moet terugbetalen.

 

Reeds eerder was uitgemaakt dat de bevoegdheidsverdeling binnen de gemeente, zoals neergelegd in de Gemeentewet, voor een ieder kenbaar is en in een democratische samenleving van groot belang.

 

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de nota van de bindend adviseur is voldaan en dat de omstandigheid dat de dagvaarding in kort geding meteen door de receptioniste aan de bewuste ambtenaar is doorgeleid, zodat de gemeente eigenlijk helemaal niet wist dat het kort geding aanhangig was, feiten zijn die zijn voorgevallen na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en dus om die reden niet van belang.

 

Dat oordeel gaat bij de Hoge Raad onderuit. De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling.

 

De Hoge Raad had al eerder aldus geoordeeld (NJ 2001-157). Achtergrond van dit oordeel is dat schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en schijn van bekrachtiging achteraf niet altijd goed onderscheiden kunnen worden.

Aannemelijk is dat er in dit geval ook nog een ander element mee speelt. De ambtenaar had het in deze zaak kennelijk in zijn macht om de nota van de bindend adviseur te laten betalen, overigens onder een andere, verkeerde noemer (te weten planschade) en hij had ook het college en daarmee dus ook de gemeente er van onkundig weten te houden dat er een kort geding tegen de gemeente aanhangig was gemaakt. Dat betekent dat deze ambtenaar in staat was om in hoge mate autonoom op te treden. Dan kan uit deze feiten wellicht worden afgeleid dat deze ambtenaar feitelijk veel bewegingsvrijheid had, ook om de gemeente te vertegenwoordigen omdat de gemeente blijkens de betaling toch wel deed wat deze ambtenaar wilde, althans zijn dit feiten die kunnen maken dat het optreden van deze ambtenaar voor risico van de gemeente komt. Dit laatste is enigszins een speculatie, want dit element wordt niet met zoveel woorden in de uitspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht.

 

De adviseur van de Hoge Raad concludeerde er toe om het arrest van het hof in stand te laten. Dit advies berustte op een cassatie-technische overweging. Inhoudelijk was de adviseur het wel eens met de klacht die later door de Hoge Raad gegrond werd geoordeeld. In zijn advies wijst hij er op dat feiten die zich later hebben voorgedaan, relevant kunnen zijn voor de toerekeningsvraag, dus het risico. Hij stelt dat het model van totstandkoming van overeenkomsten via een tussenpersoon slechts een sterk vereenvoudigde en geschematiseerde voorstelling van de werkelijkheid is. Een derde kan een zeker risico nemen door bij het aangaan van de overeenkomst af te gaan op een bestaande indruk van vertegenwoordigingsbevoegdheid, maar dit risico kan vervolgens overgaan op de wederpartij, indien deze indruk na de totstandkoming van de overeenkomst wordt bevestigd, bijvoorbeeld door niet te reageren op een orderbevestiging of, zoals in dit geval, doordat de overeenkomst door de betaling aan de bindend adviseur (deels) wordt uitgevoerd. De toerekening van de schijn van volmacht berust inmiddels in wezen op een billijkheidsoordeel: is het billijker dat de derde in de kou staat of dat de achterman zijns ondanks gebonden is?

 

Hoge Raad 24 april 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2015:1119