Actualiteiten

Een eenvoudige formule voor de berekening van de legitimaire aanspraak?

Door mr. G.W.J. van Dijke

Uiteindelijk is het voor de meeste (al dan niet gedeeltelijk) “onterfde” afstammelingen van belang hoe groot hun vorderingen exact zijn. Doorgaans resteert na een al dan niet expliciete onterving namelijk slechts een geldvordering (als geen sprake is van een krachtens testament beperkt erfdeel en ook geen andere goederen zijn gelegateerd). Die vordering wordt vaak de “legitieme”, “legitieme portie”, of legitimaire aanspraak genoemd.

 

 

Als u op internet informatie zoekt over de “legitieme portie” en met name de omvang daarvan, dan wordt vaak zonder verder voorbehoud beweerd dat de vordering van de legitimaris “de helft is van het wettelijke erfdeel / het erfdeel bij versterf van het kind / de afstammeling”. Dit is volstrekt helder, maar helaas onjuist (want onvolledig). Ik zal dat in het hiernavolgende toelichten.

 

Formule

Hetgeen uiteindelijk moet worden uitgekeerd (afgezien van eventueel verschuldigde wettelijke rente), is de legitimaire aanspraak. De (exacte) omvang van de vordering van de legitimaris, moet aan de hand van de volgende formule worden vastgesteld:

 

Legitimaire / legitieme aanspraak:

 

Legitimaire aanspraak = [legitimaire massa] x [breukdeel] – [giften aan de legitimaris] – [verkrijgingen krachtens erfrecht van de legitimaris].

 

De waarden van de diverse hierboven gehanteerde begrippen kunnen op hun beurt aan de hand van de volgende formules worden vastgesteld:

 

Legitimaire massa (artikel 4:65 BW):

 

Legitimaire massa = [activa / waarde van goederen op het moment van overlijden] + [in aanmerking te nemen giften (zie artikel 4:67 BW)] – [schulden zoals beschreven in artikel 4:7 lid 1, sub a, b, c en f BW].

 

Opmerking: de bij het begrip “legitimaire massa” in aanmerking te nemen giften zijn onder meer giften die aan afstammelingen zijn gedaan (“tenzij…”), alsmede giften die binnen vijf jaar voor het overlijden van erflater zijn gedaan (dus ook de giften aan derden). “Gebruikelijke” (kleine) giften (denk aan onder meer verjaardagscadeaus) en giften waarmee erflater voorzag in een morele verplichting jegens de begiftigde (zoals studiekosten), tellen in dit kader echter niet mee (artikel 4:69 BW).

 

Breukdeel (artikel 4:64 BW):

 

            Breukdeel = [erfdeel krachtens versterferfrecht] / [2].

 

Legitieme portie (artikel 4:64 BW):

           

Legitieme portie = [legitimaire massa] x [breukdeel].

 

Opmerking: het begrip legitieme portie staat niet in de hoofdformule. Dat komt, doordat de omvang van de legitieme portie op zichzelf ook niet relevant is. De legitieme portie moet namelijk worden verminderd met de giften die aan de legitimaris zijn gedaan en de verkrijgingen krachtens erfrecht van de legitimaris. Als slechts de omvang van de legitieme portie wordt berekend, is de berekening van de legitimaire aanspraak (de daadwerkelijke vordering van de legitimaris) nog onvolledig.

 

Giften aan de legitimaris (imputatie, artikel 4:70 BW):

 

Te imputeren giften aan de legitimaris = [totale waarde van giften zoals die door erflater zijn gedaan aan de legitimaris] – [buiten beschouwing te laten “gewone” giften ex artikel 4:69 BW].

 

Mindering van verkrijgingen krachtens erfrecht (artikel 4:71 BW):

 

Mindering van verkrijgingen krachtens erfrecht: [verkrijging krachtens versterferfrecht, zoals een (beperkt) erfdeel] + [verkrijging krachtens legaat].

 

Opmerking: op de vraag of ook verkrijgingen zoals “quasi-legaten” in dit kader een rol spelen, geeft de wet zelf geen uitsluitsel. Doorgaans wordt de verkrijging krachtens “quasi-legaat” wel toegerekend aan de legitimaris en beperken die verkrijgingen de omvang van de legitimaire aanspraak dus wel. Bepaald is dat legaten die onder bepaalde bijzondere, doorgaans beperkende voorwaarden zijn vermaakt aan de legitimaris, bij verwerping daarvan door de legitimaris, niet leiden tot een vermindering van de legitimaire aanspraak (artikel 4:73 BW).

 

Conclusie

Als bij de vaststelling van de omvang van de vordering van de legitimaris slechts wordt gelet op de waarde van de goederen per datum overlijden en deze wordt vermenigvuldigd met het breukdeel, is die berekening per definitie onvolledig. Het resultaat is dan dat de berekening vaak / meestal onjuist is. Er zal namelijk bij de vaststelling van de omvang van de vordering van de legitimaris in ieder geval stil moeten worden gestaan bij de vraag of in het verleden giften door de erflater aan de legitimaris, andere afstammelingen, andere familieleden en derden zijn gedaan.

 

Los van al het bovenstaande speelt uiteraard informatieverkrijging door de legitimaris een grote rol. Zonder informatie kan de vordering niet goed worden vastgesteld. De legitimaris heeft echter een (verstrekkend) recht op informatie waarmee hij zijn legitimaire aanspraak kan berekenen (artikel 4:78 BW).