Actualiteiten

Een passende regeling met terugwerkende kracht

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

Een ontslag wegens verstoorde verhoudingen wordt getoetst aan de feiten en omstandigheden ten tijde van het ontslagbesluit. De regeling voor de voorzieningen die met dit ontslag gepaard moet gaan, en die in het ontslagbesluit vermeld moet worden, wordt evenwel getoetst aan de regels die gelden ten tijde van de inwerkingtreding van dit ontslag. Bij een ontslag met terugwerkende kracht kan het gevolg zijn dat de voorzieningen bij het ontslag worden beoordeeld aan de hand van criteria die ten tijde van het ontslagbesluit al niet meer golden.

 

Dit laatste deed zich voor in een recente zaak bij de Centrale Raad. Wat was er aan de hand?

 

De ambtenaar in die zaak, werkzaam bij de gemeente Den Helder, had al geruime tijd een steeds problematischer wordende verstandhouding met haar collega’s en leidinggevenden. Haar is op enig moment de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd voor negatieve bejegening van haar leidinggevenden en ongeoorloofde afwezigheid. Dit voorwaardelijk ontslag is na een volgend incident ten uitvoer gelegd. Het voorwaardelijk ontslag en deze tenuitvoerlegging hielden bij de rechter echter geen stand. Het bestuursorgaan verleende vervolgens, inmiddels ruim twee jaar later, eervol ontslag op grond van artikel 8:8 van de lokale arbeidsvoorwaardenregeling (welke gelijkluidend is aan de CAR/UWO) wegens onherstelbaar verstoorde verhoudingen. Het ontslag kreeg als ingangsdatum de dag waarop het inmiddels vernietigde besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag was ingegaan. Dit is in lijn met de jurisprudentie dat een ontslag met terugwerkende kracht mogelijk is als de ingangsdatum gelijk is aan die van een vernietigd ontslag, mits de vernietiging van dat eerdere ontslag niet is voortgekomen uit een gebrek in de oorspronkelijke ingangsdatum. De Centrale Raad stelt uitdrukkelijk vast dat de arbeidsverhoudingen ten tijde van het –vernietigde- tenuitvoerleggingsbesluit al verstoord waren.

 

De terugwerkende kracht van het ontslag brengt echter een opmerkelijke nuance aan het licht. Het ontslagbesluit van de Helderse ambtenaar is genomen na 1 april 2013, maar heeft terugwerkende kracht tot een datum vóór 1 april 2013. Per 1 april 2013 is artikel 10d:4, derde lid, van de CAR/UWO, over de inhoud van de passende regeling, aangepast. Verwees deze bepaling voorheen nog naar het hele hoofdstuk 10d CAR/UWO over voorzieningen bij werkloosheid, sinds 1 april 2013 verwijst het nog uitsluitend naar de paragraaf over de aanvullende uitkering. Was op de passende regeling van de Helderse ambtenaar nu het ‘oude’ artikel 10d:4, derde lid van toepassing of het nieuwe? De Centrale Raad kiest hier zonder veel omhaal voor toetsing aan het ‘oude’ recht, dus van vóór het nemen van het ontslagbesluit. Dit is opmerkelijk, omdat dit recht op dat moment al niet meer gold.

 

De Centrale Raad bevestigt in de Helderse zaak en passant zijn jurisprudentie over het ‘oude’ artikel 10d:4. Tot een vergelijking tussen de oude en de nieuwe formulering van artikel 10d:4, derde lid, komt het in deze uitspraak dus niet. De overigens zeer interessante vraag of de bestaande jurisprudentie van de Centrale Raad over de passende regeling van artikel 10d:4 ook geldt voor regelingen die vallen onder de nieuwe formulering van artikel 10d:4, derde lid, blijft dus onbeantwoord. Hoe luidt die jurisprudentie ook alweer, en welke uitkomst kreeg de Helderse zaak? Zoals de Centrale Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:216) geldt bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO sinds 1 juni 2008 als uitgangspunt dat naast (de garantie op) een WW-uitkering, een aanvullende uitkering moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de betrokken ambtenaar. Verder hanteert de Centrale Raad al sinds jaar en dag de regel dat er aanleiding is om bovenop de WW-, aanvullende en na-wettelijke uitkeringen een compensatie toe te kennen als vaststaat dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht. In zijn uitspraak van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) heeft de Centrale Raad voor de bepaling van de hoogte van die “plus” een formule ontwikkeld.

 

Hoe verhoudt de rechtsregel over de aanspraak op een na-wettelijke uitkering zich nu tot de jurisprudentie over “de plus”?

 

Ook hierop wordt in de Helderse zaak ingegaan. De Centrale Raad is immers van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het ontslag grotendeels aan de Helderse ambtenaar te wijten is. Betrokkene komt behalve voor een aanvullende, dus ook voor een na-wettelijke uitkering in aanmerking. ‘Geen verwijt’ is echter niet hetzelfde als “geen aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de ontslaggrond”. Ook al kan de Helderse ambtenaar niet een zodanig verwijt worden gemaakt dat de na-wettelijke uitkering geweigerd kon worden, zij heeft naar het oordeel van de Centrale Raad een zodanig aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen gehad dat geen sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan. Als een ambtenaar niet grotendeels een verwijt valt te maken van het ontslag, betekent dat dus niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor een “plus”. Deze nuance verdient in een volgende uitspraak van de Centrale Raad over een ontslag wegens verstoorde verhoudingen toch wel wat nadere aandacht en –bij voorkeur- ook toelichting.

 

CRvB 9 juli 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:2255