Actualiteiten

Een verzoek tot handhaving, wat nu?

Door Bianca d’Hooghe

Dit is een eerste bijdrage (in een serie van twee) over hoe om te gaan met een verzoek tot handhaving door een derde belanghebbende. In deze aflevering komt aan de orde wat naar aanleiding van een dergelijk verzoek van een bestuursorgaan wordt verwacht.

 

De Handhavingswijzer Nationale Ombudsman geeft gemeenten als handreiking twaalf spelregels voor het behoorlijk omgaan van handhavingsverzoeken van burgers. Eén van die regels is dat de gemeente na ontvangst van een handhavingsverzoek, een melding, een signaal of een klacht de situatie ter plekke onderzoekt. Het advies van de Ombudsman aan gemeenten is dus het starten van een onderzoek.

 

Op basis van de rechtspraak van de Afdeling is een bestuursorgaan naar aanleiding van een verzoek tot handhaving verplicht om vast te stellen of zich een overtreding voordoet. Indien nodig om een overtreding te kunnen vaststellen, verricht het bestuursorgaan dus nader onderzoek.

 

Het College van Beroep lijkt die verplichting in haar uitspraak d.d. 14 februari 2017 te nuanceren, door eisen te stellen aan het verzoek tot handhaving. Volgens het College van Beroep is het aan degene die om handhaving verzoekt om voldoende aanknopingspunten te bieden voor (nader onderzoek naar) de vaststelling dat sprake is van een overtreding. In die zaak had het bestuursorgaan het handhavingsverzoek terecht afgewezen zonder nader onderzoek te doen, omdat in het verzoek tot handhaving niet op inzichtelijke wijze met concrete feiten en omstandigheden uiteen werd gezet welke wettelijke voorschriften zouden zijn overtreden. Er werden in het verzoek slechts algemeen geformuleerde verwijten geuit.

 

Als er een handhavingsverzoek ligt met voldoende concrete aanknopingspunten voor het bestuursorgaan om onderzoek te doen, is de vraag hoe ver die onderzoeksplicht dan vervolgens gaat. Dat kwam aan de orde in een recente uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017. In die zaak ging het om vermeende overtreding van geluidsvoorschriften. De Afdeling oordeelde dat het college daartoe ‘voldoende zorgvuldig en op de representatieve bedrijfssituatie gebaseerd onderzoek’ moest (laten) verrichten. Als uit dat onderzoek niet van een overschrijding blijkt, diende het college het verzoek om handhaving af te wijzen. Volgens de Afdeling kon van het college niet worden gevergd dat het aannemelijk maakt dat een overschrijding van de grenswaarden onder alle omstandigheden uitgesloten is.

 

Kortom, bij een voldoende concreet handhavingsverzoek zal het bestuursorgaan zorgvuldig onderzoek moeten doen. Wanneer daaruit geen overtredingen voortvloeien, zal het verzoek tot handhaving moeten worden afgewezen. Een bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat overtredingen zijn uitgesloten.

 

ABRvS 25 oktober 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:2900