Actualiteiten

Geen MER voor zonnepark

Door Ad Schreijenberg

Een zonnepark is geen industriële installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water als bedoeld in categorie D 22.1 van de bijlage bij het Besluit mer en is in beginsel ook niet onder een andere categorie uit de bijlage van het besluit te scharen. Dat is de kern van een uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019. Dat betekent dat, anders dan soms aangenomen, voor een zonnepark in beginsel geen MER-plicht geldt.

 

Initiatiefnemer heeft een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college van B&W van de gemeente Staphorst (hierna: het college) voor een zonnepark met ongeveer 22.500 zonnepanelen. Het park is ongeveer 4,3 ha groot. Voor het park werd door het college een tijdelijke vergunning verleend op grond van de zogenoemde kruimelgevallenregeling (artikel 4, lid 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)).

 

Groenrecycling Rouveen (hierna: Groenrecycling), een recycler van groenafval, die in de buurt van het beoogde park is gevestigd heeft bezwaar tegen de plannen omdat zij vreest voor gevolgen voor haar eigen bedrijfsvoering. De rechtbank Overijssel heeft het beroep van Groenrecycling ongegrond verklaard.

 

Groenrecycling voert in hoger beroep aan dat ten onrechte de reguliere procedure werd gevolgd. Het zonnepark zou namelijk mer-(beoordelings)plichtig zijn. Artikel 5, lid 6 van het Bor bepaalt dat het eerdergenoemde artikel 4 lid 11 niet van toepassing is op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer).

Groenrecycling stelt dat het zonnepark geldt als:

  • een landinrichtingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 9, onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer;
  • een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, van onderdeel D, van kolom 1 van de bijlage bij het Besluit mer; en/of,
  • een industriële installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water als bedoeld in categorie D 22.1 van de bijlage bij het Besluit mer.

De Afdeling heeft overwogen dat de tijdelijke functiewijziging van 4,3 hectare onvoldoende substantieel karakter heeft om aangemerkt te kunnen worden als een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit mer. Dit kan voor grotere zonneparken dus anders zijn.

Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat ook geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het realiseren van het zonnepark kan niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen, omdat de gevolgen voor het milieu van het park beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting.

Ten slotte heeft de Afdeling overwogen dat ook geen sprake is van een industriële installatie voor de productie van elektriciteit. Dit omdat uit de nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit mer 1994 (Stb. 1994, 224, p. 80) kan worden opgemaakt dat het bij deze activiteit gaat om centrales waarbij een brandstof wordt ingezet om elektriciteit op te wekken. Dat is hier niet aan de orde. De Afdeling heeft daarbij uitgelegd dat deze uitleg in overeenstemming is met de MER-richtlijn.

Voor het zonnepark moest dus gelet op het voorgaande geen MER worden opgesteld. De omgevingsvergunning blijft ook in hoger beroep in stand.

 

ABRvS 14 augustus 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:2770