Actualiteiten

Medezeggenschap

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

De Centrale Raad bewaakt de wettelijke bescherming van (voormalige) leden van medezeggenschapsorganen, maar redden betrokkenen het hiermee?

 

Een lid van een ondernemingsraad werd geschorst in verband met een onderzoek naar onder andere politieke beïnvloeding door hem van een gemeenteraadslid. Het bestuursorgaan erkende dat de verdenking losstond van het OR-lidmaatschap van de man, maar achtte het toch onwenselijk dat hij zijn OR-werkzaamheden tijdens de schorsing zou voortzetten. Betrokkene kreeg daar nog eens een verbod overheen om contact te hebben met collega’s, met uitzondering van zijn clusterhoofd, en externe werkcontacten. De Centrale Raad overweegt dat het OR-lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden moeten worden onderscheiden van de reguliere functievervulling van de ambtenaar. Gelet op artikel 13 van de Wet op de ondernemingsraden (Wor) is het voorbehouden aan de kantonrechter om een lid van de OR, op verzoek van de ondernemer of van de OR zelf, uit te sluiten van bepaalde of van alle OR-werkzaamheden. Deze uitsluiting is bovendien alleen mogelijk op de grond dat betrokkene het overleg tussen OR en ondernemer, respectievelijk de werkzaamheden van de OR ernstig verstoort. Het bestuursorgaan zelf is niet bevoegd om een medewerker uit te sluiten van diens OR-werkzaamheden.

 

So far so good voor het OR-lid in deze zaak. De Centrale Raad overweegt vervolgens echter dat het bestuursorgaan wel bevoegdheden heeft ten aanzien van de functievervulling door de ambtenaar. Het contactverbod maakte het voor betrokkene feitelijk onmogelijk om zijn werkzaamheden als OR-lid uit te voeren. Betrokkene had dit verbod op zichzelf beschouwd niet aangevochten. Uit de uitspraak wordt niet duidelijk of betrokkene meende dat dit niet hoefde omdat hij zich reeds tegen de schorsing in zijn OR-werk verzette, of omdat hij slechts een principiële uitspraak over zijn OR-werkzaamheden wilde.

 

De Centrale Raad overweegt in elk geval dat indien een ambtenaar een dergelijk contactverbod niet betwist maar enkel wil worden hersteld in de mogelijkheid zijn OR-werk uit te voeren, hij niet bij de bestuursrechter moet zijn, maar een verzoek als bedoeld in artikel 18, 4e lid, van de Wor moet indienen bij de kantonrechter. Volgens die bepaling kan een lid van de ondernemingsraad de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan zijn verplichting tot het bieden van gelegenheid (in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging) voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden die de OR betreffen. Deze overweging van de Centrale Raad is opmerkelijk en ook niet helemaal duidelijk, want tegen een besluit tot oplegging van een contactverbod is in beginsel wel een rechtsgang bij de ambtenarenrechter mogelijk (CRvB 8 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0752). Gaat de bevoegdheid van de kantonrechter als in medezeggenschapszaken gespecialiseerde rechter hier misschien voor omdat het een contactverbod gericht aan een OR-lid betreft? Maar hoe moeten wij dan de uitdrukkelijke overweging van de Centrale Raad dat betrokkene het contactverbod niet heeft aangevochten dan begrijpen? De Centrale Raad wekt met deze overweging de indruk dat het contactverbod hierdoor in rechte onaantastbaar is geworden. Een verklaring voor de overweging zou kunnen zijn dat de kantonrechter moet worden geacht niet te zijn gebonden aan de formele rechtskracht van het contactverbod in dit geval, maar deze verklaring valt niet goed in te passen in het gangbare systeem van rechtsmachtverdeling.

 

Wat hier ook van zij, de Centrale Raad heeft nog een tweede uitspraak gedaan waarin de ambtenaar gelijk krijgt, maar waarmee zijn problemen niet zijn opgelost. Het ging om de voorzitter van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) op een middelbare school. Deze GMR heeft, met tegenstem van een minderheid van de leden waaronder deze voorzitter, besloten om collectief af te treden en het bestuur te verzoeken verkiezingen voor een nieuwe GMR uit te schrijven. Die nieuwe GMR komt er ook, waar betrokkene zich in woord en geschrift tegen is blijven verzetten. Daarbij schuwde betrokkene de buitenwettelijke mogelijkheden niet. Zo was hij betrokken bij de opening van een website, presenteerde hij zich als voorzitter van de enige rechtsgeldige GMR en bezigde hij termen als chantage en wanbeleid als het ging om de opstelling van het bestuur. Betrokkene werd ontslag verleend wegens redenen van gewichtige aard, waarbij werd gewezen op zijn houding en gedrag tegenover collega’s, locatieleiding, bestuur en de organisatie van de school in zijn geheel.

 

De Centrale Raad stelt voorop dat de gebruikte ontslaggrond slechts toegepast kan worden als de redenen in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. De Centrale Raad betrekt hierbij vervolgens uitdrukkelijk artikel 3, 13e lid, van de Wet medezeggenschap op scholen (Wms). Daarin staat dat de beëindiging van een aanstelling geen verband mag houden met de kandidaatstelling, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van betrokkene in de medezeggenschapsraad. De Centrale Raad overweegt dat de opstelling van betrokkene welke reden vormde voor zijn ontslag niet los gezien kan worden van diens (voormalige) lidmaatschap van de oude GMR. Het stond betrokkene vrij om zijn standpunt behalve langs juridische weg ook op andere wijze aan de orde te stellen. De Centrale Raad herroept daarom het ontslag doch voegt daar – en daarin zit voor betrokkene wellicht de pijn – een overweging ten overvloede aan toe. De Centrale Raad laat weten dat hem is gebleken uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat, wat het bestuur betreft, de verhouding met betrokkene ernstig is verstoord. De Centrale Raad overweegt dat hij daar de ogen niet voor sluit en dat het mogelijk lastig zal zijn om feitelijk nog tot werkhervatting en een vruchtbare samenwerking te komen. Het is volgens de Centrale Raad echter aan partijen om gezamenlijk een passende oplossing te vinden voor de ontstane problemen. Dit gelezen hebbend kan men zich afvragen hoe die passende oplossing er dan uit moet komen te zien. Een terugkeer naar de school acht ook de Centrale Raad kennelijk niet meer mogelijk. Betrokkene heeft daarmee tot op zekere hoogte dus niet meer dan een pyrrhusoverwinning behaald.

 

CRvB 12 maart 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:735

CRvB 12 maart 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:741