Actualiteiten

Permanente bewoning en het overgangsrecht

Door Ad Schreijenberg

Het is aan degene die zich op het overgangsrecht van een bestemmingsplan beroept om de feiten en omstandigheden waarop dat berust aannemelijk te maken. Twee uitspraken van de Afdeling van 27 september 2017 laten zien dat en onder welke omstandigheden de permanente bewoners van recreatiewoningen daar soms in slagen en soms ook niet.

 

De permanente bewoonster van een recreatiewoning in Putten had bij de rechtbank een geslaagd beroep op het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan gedaan, in die zin dat zij volgens de rechtbank voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij al op de datum van inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan haar hoofdverblijf in de recreatiewoning had. Het college van burgemeester en wethouders, dat gelast had de permanente bewoning te staken, liet het daar niet bij zitten en ging in hoger beroep.

 

De Afdeling heeft overwogen dat het vaste jurisprudentie is dat degene die zich op het overgangsrecht beroept, de feiten en omstandigheden waarop dat berust aannemelijk moet maken.

 

In dit geval is de bewoonster pas na de peildatum (datum inwerkingtreding bestemmingsplan) op het adres ingeschreven. Dat levert een vermoeden op dat zij elders haar hoofdverblijf had. Met de door haar overgelegde stukken heeft zij dat bewijsvermoeden niet weerlegd. Het gaat onder andere om verklaringen van andere recreatieparkbewoners en die zijn volgens de Afdeling onvoldoende objectief en kunnen niet op juistheid worden gecontroleerd. Ook andere bewijsstukken weerleggen het bewijsvermoeden niet. De Afdeling concludeert, anders dan de rechtbank, dat de bewoonster zich dus niet kan beroepen op het overgangsrecht.

 

In een zaak van dezelfde datum trekt de permanente bewoonster van een recreatiewoning aan het langste eind. Ook deze bewoonster was, in dit geval door het college van Bergen, gelast de permanente bewoning van haar recreatiewoning te staken.

 

Ter onderbouwing van haar beroep op het overgangsrecht heeft deze appellante verwezen naar een brief van het college waaruit kan worden afgeleid dat gebruik dat in 1973 is aangevangen onder het overgangsrecht valt. Zij heeft daarbij, onderbouwd met een overzicht van oud-bewoners van de woning, aangevoerd dat het gebouw onafgebroken sinds 1973 is bewoond.

 

De Afdeling heeft in dat licht overwogen dat het college het standpunt dat de bewoonster geen geslaagd beroep op het overgangsrecht kon doen onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij heeft de Afdeling de inhoud van de genoemde brief betrokken, die door het college ter zitting niet is bestreden. Het college krijgt de opdracht te onderzoeken of de bewoonster een geslaagd beroep op het overgangsrecht kan doen. Als dat kan is het college niet bevoegd om handhavend op te treden.

 

ABRvS 27 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:2579

ABRvS 27 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:2607