Actualiteiten

Schadevergoeding voor onrechtmatige verstrekking persoonsgegevens

Door Bas de Moor

Een schrijnende zaak waarin de Afdeling onlangs uitspraak deed maakt duidelijk dat het voor een betrokkene nog niet zo eenvoudig is om schadevergoeding te verkrijgen voor onrechtmatige verstrekking van zijn persoonsgegevens door een bestuursorgaan aan een derde.

 

Wat was het geval?

 

In 2011 werd een hennepkwekerij aangetroffen in een pand dat door betrokkene werd gehuurd. Betrokkene is toen aangemerkt als mogelijke verdachte, waarna hij zich heeft gemeld bij de politie en te kennen heeft gegeven dat hij de woning huurde en als makelaar onderverhuurde. Hij is vervolgens verhoord als getuige en is ook als zodanig in de politiesystemen vermeld. De korpschef heeft niet lang daarna aan de belastingdienst een overzicht verstrekt van panden waarin hennepkwekerijen waren aangetroffen, de daarbij betrokken verdachten en de geschatte opbrengst van de kwekerijen. Het door betrokkene gehuurde (en verhuurde) pand is vermeld en betrokkene is ook als verdachte genoemd. Op basis van deze en andere informatie heeft de belastingdienst aan betrokkene diverse navorderingsaanslagen opgelegd. Pas na lange gerechtelijke procedures zijn deze aanslagen door het gerechtshof vernietigd. Betrokkene heeft vervolgens aan de korpschef verzocht om vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 5.000,- wegens schending van zijn privacy en vergoeding van materiële schade wegens onder meer juridische bijstand in de fiscale procedures ten bedrage van € 19.999,-. Het schadeveroorzakend handelen heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013, zodat het verzoek is aangemerkt als een verzoek tot het nemen van een zuiver schadebesluit. De Wet Politiegegevens verwijst in dit verband onder andere naar artikel 49 van de -destijds nog van kracht zijnde- Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Volgens deze bepaling gelden bijzondere regels voor iemand die schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de Wbp gegeven voorschriften, onverminderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels. De Afdeling oordeelt, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wbp en de Wet persoonsregistraties (Wpr), dat artikel 49 van de Wbp geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding bevat. Deze bepaling vormt slechts een aanvulling op de bepalingen over schadevergoeding in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waaronder arikel. 162 over de verplichting tot schadevergoeding bij het plegen van een onrechtmatige daad.

 

De bestuursrechter is alleen bevoegd om kennis te nemen van een zuiver schadebesluit als er sprake is van zowel materiële als processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit is voldaan als de beweerdelijk geleden schade is veroorzaakt in de uitoefening door het betrokken bestuursorgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Zulks was hier het geval, nu de korpschef informatie heeft verstrekt ter uitvoering van de politietaak. Aan het vereiste van processuele connexiteit is voldaan als ook beroep openstaat bij de bestuursrechter tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. En hier loopt betrokkene (helaas) vast. De verstrekking van de gegevens door de korpschef aan de belastingdienst was een feitelijke handeling en geen besluit. Er stond dus ook geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen open. Betrokkene had zich met zijn schadeclaim tot de burgerlijke rechter moeten richten. Hij heeft jarenlang voor niets geprocedeerd.

 

Onder het nieuwe privacyrecht was de uitkomst waarschijnlijk dezelfde geweest. Met ingang van 25 mei 2018 heeft de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) de Wet bescherming persoonsgegevens vervangen. Artikel 82 van de AVG bevat bepalingen over het recht op schadevergoeding en aansprakelijkheid wanneer iemand materiële of immateriële schade heeft geleden ter gevolge van een inbreuk op deze verordening. In de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) worden de bepalingen van de AVG uitgewerkt. Artikel 36 van de UAVG is nagenoeg geheel gelijkluidend aan het oude artikel 49 van de Wbp. Het ligt dan ook niet voor de hand aan te nemen dat de uitspraak van de Afdeling over de schadeclaim van betrokkene anders had geluid als de AVG van toepassing was geweest.

 

ABRvS 22 augustus 2018, www.rechtspraak.nl: ECU:NL:RVS:2018:2751