Actualiteiten

Schending eer en goede naam

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

De Centrale Raad heeft uitspraak gedaan in een onverkwikkelijke casus. In opdracht van een gemeente heeft een organisatieadviseur het functioneren van een afdeling in kaart gebracht met het doel de samenwerking te “ontstroeven” en te professionaliseren. De adviseur heeft met alle medewerkers een gesprek gevoerd en een afdelingsoverleg bijgewoond. Zijn bevindingen heeft hij gepresenteerd in een diapresentatie. Ten aanzien van een medewerker maakte hij verstrekkende op de persoon gerichte opmerkingen met een sterk diskwalificerend karakter. De sheets heeft hij gepresenteerd in een bijeenkomst van alle medewerkers en leidinggevenden. De presentatie is opgeslagen op een plaats waar ook collega’s van buiten de afdeling bij konden.

 

De betrokken medewerkster heeft uiteindelijk ontslag op andere gronden gekregen, dat door de Centrale Raad bij uitspraak van 8 maart 2012 in stand is gelaten, met dien verstande dat een bedrag van € 15.000,- extra werd toegekend bovenop de minimale uitkeringsregeling. Betrokkene heeft haar (inmiddels voormalige) werkgever daarna verzocht om vergoeding van alle materiële en immateriële schade voortvloeiend uit het “rapport” (feitelijk de diapresentatie) van de adviseur, de werkwijze van de adviseur en de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders met het “rapport” is omgegaan.

 

In een uitspraak van 19 maart 2015 laat de Centrale Raad zich uit over de afwijzing van dit verzoek. De Centrale Raad overweegt dat het toegekende bedrag van € 15.000,- dient als compensatie voor het overwegende aandeel van het college in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Daartoe is die compensatie ook beperkt. Aangezien het ontslag rechtmatig is, kan daarop geen aanspraak op verdergaande vergoeding worden gebaseerd. Dit doet er naar het oordeel van de Centrale raad evenwel niet aan af dat het voorliggende verzoek om schadevergoeding een andere grondslag heeft dan het ontslag. Betrokkene heeft gesteld dat het college zich niet als goed werkgever heeft gedragen en zijn zorgplicht heeft geschonden door de adviseur in te schakelen en hem zijn gang te laten gaan. De omstandigheid dat het rapport van de adviseur heeft bijgedragen tot het ontstaan van de impasse, en daarmee tot het ontslag, staat naar het oordeel van de Centrale Raad niet aan inwilliging van het verzoek om schadevergoeding in de weg, althans voor zover het rapport los van het ontslag tot schade heeft geleid.

 

De Centrale Raad herhaalt vervolgens zijn vaste jurisprudentie met betrekking tot de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaren zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat – voor zover hier van belang – indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen.

 

De Centrale Raad overweegt dat de wijze waarop de adviseur jegens betrokkene te werk is gegaan in de uitspraak van 8 maart 2012 reeds als onthutsend is getypeerd. In de onderhavige procedure is dit beeld alleen maar bevestigd. Er bestond dus een grondslag voor schadevergoeding. Voor vergoeding komt echter uitsluitend de schade in aanmerking die als gevolg van de schending van de zorgplicht valt aan te merken. Voor de inkomensschade, pensioenschade en sociale zekerheid schade van betrokkene geldt dit niet. Deze schade is immers een gevolg van het ontslag en niet van de geconstateerde schending van de zorgplicht. Voor een vergoeding voor een als aantasting van betrokkenes persoon aan te merken geestelijk letsel ziet de Centrale Raad geen aanleiding omdat dergelijke psychische schade niet is aangetoond. De Centrale Raad overweegt in dit verband dat voor het aannemen van psychische schade onvoldoende is dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen. Medische gegevens over de psychische gesteldheid van betrokkene ontbreken.

 

Wat hierna overblijft is een eventuele vergoeding voor reputatieschade. In dit verband is naar het oordeel van de Centrale Raad van belang dat de inhoud van het rapport binnen en buiten de organisatie bekend is geworden. Het college heeft afstand genomen van de presentatie van het rapport, maar niet van de wijze van totstandkoming en de subjectieve en onprofessionele kwalificaties daarin. Ook heeft het college niet alles gedaan wat redelijkerwijs mocht worden verwacht ter verzekering van het vertrouwelijke karakter van het rapport. De Centrale Raad ziet derhalve grond voor vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de aantasting van de goede naam van betrokkene zoals bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Betrokkene komt vervolgens echter van een koude kermis thuis. Het gelijk dat betrokkene van de Centrale Raad krijgt, levert haar in elk geval in financiële zin niets op. De Centrale Raad is namelijk van oordeel dat in zijn oordeel over de handelwijze van het college en de rehabilitatie van de medewerkster voldoende genoegdoening is gelegen om het geleden nadeel voor haar te compenseren.

 

CRvB 19 maart 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2015:930