Actualiteiten

Te laat met het vorderen van afgifte van een legaat?

Door Dies van de Berg

In een testament komen regelmatig een of meerdere legaten voor. Een legaat is een vorderingsrecht, dat geldend kan worden gemaakt tegen de gezamenlijke erfgenamen óf tegen een nader in het testament bepaalde erfgenaam of legataris. Omdat het gaat om een vorderingsrecht, heeft de legataris (de persoon aan wie bepaalde vermogensbestanddelen zijn gelegateerd) rekening te houden met de rechtsfiguur “verjaring”. Als de vordering is verjaard, heeft de legataris niets meer te vorderen, ondanks het feit dat in het testament zwart op wit staat dát er een vordering is (althans, na het opeisbaar worden van het legaat was). De vraag is dan wanneer de vordering ter zake van het legaat is verjaard. En als in beginsel sprake is van een verjaarde vordering, kan de legataris zich dan nog met succes op het standpunt stellen dat het inroepen van de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waardoor de verjaringstermijn buiten toepassing wordt gelaten? Over die vragen gaat een recent arrest van de Hoge Raad (HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649).

 

Wat was er aan de hand?

Oma is overleden op 30 april 1986. Haar echtgenoot – met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd – was al vooroverleden. Uit het huwelijk tussen oma en opa zijn drie kinderen geboren: twee dochters (“de legatarissen”) en “de zoon”. De drie kinderen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. De legatarissen hebben de zoon een algemene volmacht gegeven, op grond waarvan de zoon de belangen van de legatarissen waarnam en hen vertegenwoordigde bij de afwikkeling van de nalatenschap van oma. Tot de nalatenschap van oma behoorden onder andere twee legaten, vermaakt aan de legatarissen. Het ging om tweemaal een bedrag in contanten van 100.000 gulden. Oma had in haar testament bepaald dat de legaten moesten worden uitgekeerd binnen zes maanden na haar overlijden, óf nadat bepaalde onroerende goederen zouden zijn verkocht en de koopprijs daarvan zou zijn ontvangen.

 

Bij notariële akte van 5 december 1986 heeft de zoon voor zichzelf en voor de legatarissen verklaard aangifte voor de successierechten te zullen doen. Daarbij heeft hij een vermogensstaat gevoegd, waarin blijk wordt gegeven van de legaten. Kort daarna hebben de legatarissen en de zoon bij notariële akte een deel van het betreffende onroerend goed tussen hen verdeeld, waarbij zij elkaar finale kwijting hebben verleend. Een jaar later hebben de legatarissen en de zoon het resterende onroerend goed verkocht en overgedragen.

 

Op 2 april 2004 overleed de zoon, waarna in 2005 nog ander onroerend goed uit de nalatenschap van oma werd verkocht en overgedragen. Vervolgens ontstaat onder andere een geschil over de afgifte van de legaten uit de nalatenschap van oma. De legatarissen spraken de kinderen en vrouw van de zoon tot afgifte aan. De inleidende dagvaarding dateert van 12 december 2016. De kinderen en vrouw van de zoon voeren (uiteraard) een verjaringsverweer.

 

Wat oordeelde de lagere rechter?

Het hof laat in het midden of de vorderingen ter zake van de legaten zijn verjaard, omdat een beroep op verjaring naar het oordeel van het hof hoe dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

-     Aan een in 1981 opgemaakte vermogensopstelling waaruit blijkt dat het de wens van oma was een legaat aan de legatarissen te laten toekomen konden de legatarissen geen rechten ontlenen. Er was ten slotte nog geen sprake van een testament. Dat de legatarissen in 1981 wisten van het mogelijke vermaken van een legaat is dus niet relevant;

-     Niet is gebleken dat de legatarissen vóór 2014 bekend waren met (de inhoud van) het testament van oma;

-     De zoon vertegenwoordigde de legatarissen, waardoor de legatarissen niet direct bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken waren;

-     Omdat de zoon de legatarissen vertegenwoordigde en omdat de legatarissen erop mochten vertrouwen dat hij dat correct zou doen, ligt het op het pad van de zoon, en na zijn overlijden op het pad van zijn kinderen en vrouw, om aan te tonen dat de legatarissen wél bekend waren met het bestaan van het testament vóór 2014;

-     De legatarissen hebben binnen een redelijke termijn hun vordering ter zake van het legaat ingesteld, nadat zij in 2014 met het testament van oma bekend raakten;

-     De eerder overeengekomen finale kwijting ten aanzien van de verdeling van onroerende goederen van oma ziet niet op de afgifte van de legaten;

-     Uit niets blijkt dat de legaten zijn afgegeven.

Tot slot merkt het hof nog op de zoon wél het aan hem gelegateerde vermogen had verkregen. Ook om die reden zou het onredelijk zijn als de legatarissen (de twee dochters) het aan hen gelegateerde niet zouden verkrijgen.

 

Wat oordeelde de Hoge Raad?

De Hoge Raad volgde het hof in zijn oordeel niet. De Hoge Raad overweegt eerst dat een vordering ter zake van een legaat verjaart door verloop van twintig jaren na de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd (dit volgt uit de artikelen 3:306 en 3:313 BW). Die termijn van twintig jaren is een objectieve termijn, die de rechtszekerheid dient. Het is namelijk lastig om een debat te voeren over feiten die zich meer dan twintig jaren geleden hebben voorgedaan en de aangesproken partij zal in het algemeen na verloop van meer dan twintig jaren geen rekening meer houden met een mogelijke vordering. Om die reden wordt in beginsel strak de hand gehouden aan de twintigjaarstermijn. Dat wil echter niet zeggen dat de twintigjaarstermijn nooit op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kan worden gelaten, maar een beroep op het buiten toepassing laten van die termijn slaagt slechts in uitzonderlijke gevallen.

 

Vervolgens wordt een uitstapje gemaakt naar de “mesothelioom-jurisprudentie”. Mesothelioom (of: asbestkanker) is een ziekte die pas lange tijd ná blootstelling aan asbest (lees: ná het verstrijken van de verjaringstermijn van twintig jaren) ontstaat. Het gaat in die gevallen dus om schade die naar haar aard op het moment dat de verjaringstermijn verstrijkt nog steeds verborgen is. De partij die uiteindelijk schade lijdt is dus enerzijds vóórdat de verjaringstermijn is verstreken niet in staat om zijn vordering in te stellen, omdat hij nog geen schade heeft geleden. Anderzijds zou hij op het moment dat hij de schade lijdt ook niet in staat zijn om zijn vordering in te stellen, omdat de verjaringstermijn op dat moment al is verstreken, waardoor zijn vordering is verjaard. In díe gevallen is de rechter nog weleens genegen om de verjaringstermijn van twintig jaren buiten toepassing te laten op grond van de redelijkheid en billijkheid.

 

In de kwestie over het legaat ligt het evenwel anders. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is: er is geen sprake van een uitzonderlijk geval. Het is namelijk helemaal niet gebleken dat de aan de legatarissen toegekende legaten naar hun aard verborgen zijn gebleven en pas konden worden geconstateerd nádat de verjaringstermijn al was verstreken. De legatarissen (die ook erfgenaam waren) hadden toen oma was overleden simpelweg het CTR (Centraal testamentenregister) kunnen raadplegen. Kortom, de legatarissen waren te laat met het vorderen van afgifte van hun legaat.

 

Conclusie

Afwachten wordt niet beloond, óók niet als de legataris meende te mogen vertrouwen op de correctheid van het handelen van zijn vertegenwoordiger. De legataris heeft ná de dag waarop onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd twintig jaren de tijd om zijn vordering in te stellen. Het verdient opmerking dat het in beginsel op het pad van de erfgenamen / executeur ligt om de legataris over het legaat te informeren (artikel 4:119 BW). Echter, degene die weleens legataris zou kunnen zijn doet er goed aan binnen afzienbare tijd na het overlijden van de erflater onderzoek te doen naar het bestaan van een legaat. Daartoe kan het Centraal testamentenregister worden geraadpleegd. Althans, het Centraal testamentenregister kan u vertellen óf er een testament is opgemaakt, waarna u bij de betreffende notaris naar de inhoud van dat testament kunt informeren. De notaris zal aan de direct belanghebbenden (denk daarbij aan erfgenamen / legatarissen) de voor hen relevante informatie verschaffen.

 

Het is maar de vraag of dit een en ander allemaal zo eenvoudig en “hapklaar” is als de Hoge Raad het doet voorkomen… Wij adviseren u graag!