Actualiteiten

Tegenvallende uitspraak? U hebt nog acht dagen …

Door Guido van Dijke en Charles Gelijn

Op 21 december 2018 heeft de Hoge Raad een interessante uitspraak gedaan in een (erfrechtelijke) vereffeningskwestie. In deze zaak is een van de erfgenamen in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst van de vereffenaar. De kantonrechter heeft het verzet van deze erfgenaam ongegrond verklaard. Vervolgens is de erfgenaam bij het Hof ’s-Hertogenbosch in beroep gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter. Het Hof verklaarde de erfgenaam niet-ontvankelijk in zijn beroep omdat tegen de beschikking op verzet geen hoger beroep open staat. De erfgenaam had binnen acht (!) dagen een ‘cassatieberoep’ in moeten stellen. Tegen de beschikking van het Hof heeft de erfgenaam cassatie ingesteld.

 

De erfgenaam klaagt in cassatie dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof had de erfgenaam niet-ontvankelijk verklaard omdat uit artikel 4:218 lid 5 BW en artikel 187 lid 1 Fw volgt dat geen hoger beroep open staat tegen een beschikking op verzet. De erfgenaam meent dat artikel 187 Fw niet van toepassing is op beschikkingen van kantonrechters omdat slechts wordt gesproken over ‘rechtbanken’. De Hoge Raad maakt hier snel korte metten mee aangezien kantonrechters deel uitmaken van de rechtbanken.

 

In de tweede klacht van de erfgenaam klaagt hij dat het Hof de ‘hoofdregel’ had moeten toepassen: namelijk dat tegen een beschikking van de kantonrechter (normaal gesproken) een hoger beroepstermijn van drie maanden open staat op grond van artikel 358 en 261 Rv. Volgens de erfgenaam impliceren de woorden zoveel mogelijk uit artikel 4:218 lid 5 BW dat niet van de ‘hoofdregel’ mag worden afgeweken. Artikel 4:218 lid 5 BW bepaalt het volgende:

 

“ Voor het overige vinden bij de berekening van ieders vordering, het opmaken van de uitdelingslijst en het verzet daartegen de dienaangaande in de Faillissementswet voortkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.”

 

De Hoge Raad leest het artikel anders. De Hoge Raad stelt dat de woorden zoveel mogelijk (tevens) de link leggen tussen de vereffeningsprocedure en de voor het faillissementsrecht geldende voorschriften waaronder artikel 187 Fw (beroep in cassatie binnen 8 dagen). Dit leidt de Hoge Raad eveneens af uit de parlementaire geschiedenis waaruit niet blijkt dat de wetgever artikel 187 Fw heeft willen uitsluiten. Daar komt bij dat de ‘hoofdregel’ van artikel 358 en 261 Rv bepaalt dat de ‘hoofdregel’ pas van toepassing is voor zover in de wet niet anders is bepaald.

 

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Hof de erfgenaam terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat de erfgenaam niet tijdig tegen de beschikking op verzet door de kantonrechter cassatie heeft ingesteld, staat voor de erfgenaam geen rechtsmiddel meer open tegen uitdelingslijst van de vereffenaar. De uitdelingslijst is dus verbindend geworden.

 

Link: ECLI:NL:HR:2018:2393