Actualiteiten

Vergoedingsrechten ontstaan uit ‘met uitsluiting’ ontvangen gelden

Door Anouk Broekman-de Feijter

Eerder deze maand heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die duidelijkheid geeft over een regelmatig voorkomende kwestie in het huwelijksvermogensrecht: tijdens het huwelijk, aangegaan in gemeenschap van goederen, zijn schenkingen onder uitsluitingsclausule ontvangen op de gezamenlijke bankrekening van de echtgenoten. Na de scheiding wil (in dit geval) de vrouw de aan haar geschonken bedragen van in totaal € 30.000,- terug ontvangen. De vrouw stelt dat de bedragen in de echtelijke woning zijn geïnvesteerd. De man betwist de vordering van de vrouw en stelt dat de bedragen consumptief zijn verbruikt voor (gezamenlijke) vakanties en huishoudelijke uitgaven.

 

De rechtbank Oost-Brabant wijst de vordering van de vrouw toe (niet gepubliceerd). In hoger beroep geeft het gerechtshof Den Bosch de man gelijk (ECLI:NL:GHSHE:2017:4752). In deze twee uitspraken zijn de uiteenlopende visies die in de literatuur en eerdere jurisprudentie heersten duidelijk terug te zien: het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vond onder meer in 2013 dat het vergoedingsrecht, ook wel recht van reprise genaamd, ontstaat zodra de met uitsluiting ontvangen gelden gemeenschappelijk zijn geworden (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1977), terwijl het gerechtshof Den Bosch een jaar eerder oordeelde dat relevant is waaraan de met uitsluiting ontvangen gelden zijn besteed (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9349)[1]. Het gerechtshof Den Haag koos in 2017 een tussenweg door tevens in haar oordeel te betrekken of de gemeenschap voldoende activa bevatte om het vergoedingsvordering uit te keren, of de vordering in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid en of de gelden zijn besteed om privé-schulden te voldoen (ECLI:NL:GHDHA:2017:3780). Dit alles leidde tot zeer verschillende uitkomsten.

 

De Hoge Raad volgt met haar uitspraak de lijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: als uitgangspunt geldt dat aan de vrouw de door haar ontvangen schenkingen toekomen omdat deze onder uitsluitingsclausule zijn ontvangen. Omdat de bedragen op de gemeenschappelijke bankrekening van de echtgenoten zijn overgeboekt, zijn de bedragen vermengd geraakt met het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de vrouw recht heeft op vergoeding van de aan haar geschonken bedragen uit het gemeenschappelijk vermogen. Vervolgens beslist de Hoge Raad dat het erom gaat of de geschonken bedragen zijn besteed aan gemeenschapsschulden, waaronder ook consumptieve bestedingen en uitgaven in verband met de kosten van de huishouding vallen. Indien met de geschonken bedragen gemeenschapsschulden zijn voldaan, dan blijft het vergoedingsrecht van de vrouw in stand. Indien uit het gemeenschappelijk vermogen (tevens) privé-schulden van de vrouw zijn voldaan, dan volgt verrekening van het daarmee verband houdende bedrag met haar vergoedingsrecht.

 

De slotsom in de aan de Hoge Raad voorgelegde kwestie is dat de man feiten en omstandigheden had moeten stellen en/of bewijzen waaruit volgt dat de vrouw niet het hele bedrag van € 30.000,- terug kan vorderen. De man heeft niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat er privé-schulden van de vrouw zijn betaald met gemeenschapsgeld en/of dat tussen de echtgenoten zou zijn afgesproken dat de vrouw geen aanspraak op (een deel van) het vergoedingsrecht zou maken. De vrouw heeft dus nog steeds recht op het aan het haar geschonken bedrag van € 30.000,-.

 

HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504



[1] Een vergelijkbaar oordeel werd eveneens in 2017 geveld (ECLI:NL:GHSHE:2017:4872).