Actualiteiten

Verlenging begunstigingstermijn

Door Jaap IJdema

Hoewel een begunstigingstermijn in de regel niet langer mag zijn dan noodzakelijk is om de last te kunnen uitvoeren, mocht het bestuursorgaan in dit geval, gelet op de belangen van de overtreders en omdat de aard van de overtreding zich hiertegen niet verzette, de begunstigingstermijn verlengen tot vier weken na de uitspraak van de Afdeling.

 

Feiten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster had  bij besluit van 5 juli 2016 de last onder dwangsom opgelegd om binnen vier weken het gebruik van een woning als derde bedrijfswoning te staken en gestaakt te houden en de in die woning aanwezige huisraad te verwijderen en verwijderd te houden.

 

De begunstigingstermijn werd een aantal keren verlengd, voor het laatst bij besluit van 11 september 2017 tot vier weken na de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had uitspraak gedaan op 4 augustus 2017. De Afdeling heeft uiteindelijk uitspraak gedaan op 7 november 2018. Het besluit van 11 september 2017 heeft er dus toe geleid dat de begunstigingstermijn vanaf die datum met een jaar en twee maanden is verlengd.

 

De last was opgelegd op verzoek van een derde belanghebbende. Deze had incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak  van de rechtbank en aangevoerd dat het besluit van 11 september 2017 om de begunstigingstermijn te verlengen tot vier weken na de uitspraak van de Afdeling te onbepaald was.

 

De Afdeling oordeelt:

 

“Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de termijn, hangende de hoger beroepsprocedure, en gelet op de belangen van [appellant sub 2] en van [appellant sub 1B], niet mocht verlengen tot vier weken na de verzenddatum van de uitspraak van de Afdeling. Hierbij betreft de Afdeling ook dat de aard van de overtreding zich daartegen niet verzet.”

 

Deze uitspraak vind ik opmerkelijk. Ik zal uitleggen waarom.

 

Begunstigingstermijn: niet langer dan nodig

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een begunstigingstermijn niet langer mag zijn dan nodig om aan de last te kunnen voldoen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2589).

 

De achterliggende gedachte hierachter is dat als langer dan nodig niet wordt opgetreden tegen een illegale situatie dit een verkapte vorm van gedogen is. En dat is niet toegestaan.

 

Uitzondering?

De Afdeling is hierin echter niet altijd even consequent. Zo oordeelde zij in haar uitspraak van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1313) dat de staande praktijk van een bestuursorgaan om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar, uitspraak op beroep of hoger beroep door de beugel kon.

 

Toch geen uitzondering?

In haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2797) in een soortgelijke zaak oordeelde de Afdeling echter:

 

“De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn strekt er niet toe [appellante] in de gelegenheid te stellen de uitkomst van het door hem ingestelde beroep af te wachten.”

 

In deze zaak voerde de overtreder aan dat de begunstigingstermijn te kort was en dat bij het bepalen van de begunstigingstermijn rekening gehouden had moeten worden met de mogelijkheid dat hij rechtsmiddelen tegen het besluit zou aanwenden. Hij kreeg dus nul op het rekest.

 

Daarmee leek de uitspraak van 16 april 2014 een incident. Tot 7 november 2018.

 

Of toch weer wel?

De Afdeling oordeelt in haar uitspraak van 7 november 2018 dat het college de begunstigingstermijn had mogen verlengen tot vier weken na de uitspraak van de Afdeling, gelet op de belangen van de overtreders en omdat de aard van de overtreding zich hiertegen niet verzette.

 

De Afdeling legt niet uit waarom de aard van de overtreding zich niet verzet tegen verlenging van de begunstigingstermijn. Ik kan minder voorbeelden noemen van situaties waarin de aard van de overtreding zich volgens mij verzet tegen verlenging van de begunstigingstermijn, dan voorbeelden van de omgekeerde situatie. Zo bijzonder is het dus niet dat de aard van de overtreding zich niet verzet tegen verlenging van de begunstigingstermijn.

 

Meer bepalend lijken de belangen van de overtreder(s) te zijn.

 

De Afdeling gaat echter niet specifiek in op wat die belangen zijn en waarom deze belangen maken dat een verlenging van de begunstigingstermijn gerechtvaardigd is.

 

Op zich is het voorstelbaar dat de overtreder er een groot belang bij heeft om in afwachting van een definitieve uitspraak van de rechter de woning te kunnen blijven bewonen.

 

Dat belang is echter niet anders dan het belang van mensen die een recreatiewoning illegaal gebruiken als permanente woning. Ik ben in dat soort zaken nog niet tegengekomen dat een rechter oordeelde dat het bestuursorgaan terecht de begunstigingstermijn had verlengd tot zoveel weken na verzending van de uitspraak of dat had moeten doen.

 

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat in dit geval een rol heeft gespeeld dat de Afdeling in haar uitspraak ook oordeelt dat het bestuursorgaan onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bewoning van de woning als bedrijfswoning niet is toegestaan.

 

Conclusie?

De enige conclusie die ik daarom op dit moment aan de uitspraak van de Afdeling wil verbinden is dat het in sommige situaties mogelijk is om de begunstigingstermijn te verlengen totdat de uitslag van de procedure tegen het besluit bekend is, ook als dat betekent dat de begunstigingstermijn daardoor langer is dan noodzakelijk om aan de last te kunnen voldoen.

 

ABRvS 7 november 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:3592