Actualiteiten

Verstopte aanvraag omgevingsvergunning

Door Kaoutar Azghay

De Afdeling heeft recent een voor de praktijk belangrijke uitspraak gedaan die ziet op de eisen die gesteld worden aan de aanvraag van een omgevingsvergunning die mogelijk van rechtswege wordt verleend als het bevoegde bestuursorgaan niet tijdig beslist op die aanvraag (ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:829). In eerdere uitspraken van de Afdeling viel al een lijn te bespeuren dat de aanvraag steeds strenger werd beoordeeld (zie bijvoorbeeld ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3541). Met haar recente uitspraak maakt de Afdeling korte metten met de zogenaamde ‘verstopte’ aanvraag omgevingsvergunning. Deze lijn is inmiddels bevestigd in een volgende uitspraak van de Afdeling (ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:850).

 

In het bestuursrecht kennen we de figuur van de zogenaamde “lex silencio positivo”, beter bekend als de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Indien het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een omgevingsvergunning beslist, wordt de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven. Binnen het kader van de Wabo lijdt het geen twijfel dat een van rechtswege verleende omgevingsvergunning verstrekkende gevolgen kan hebben voor het bevoegde bestuursorgaan maar ook voor derden gelet op de gevolgen voor de omgeving.

 

De praktijk laat zien dat aanvragers in een bezwaarschrift of in een brief aan het bestuursorgaan een ´verstopte´ aanvraag omgevingsvergunning doen. Zo proberen aanvragers soms, zonder dat het bestuursorgaan dat doorheeft, een omgevingsvergunning van rechtswege te krijgen. Deze gang van zaken heeft het risico van misbruik in zich.

 

De Afdeling heeft nu korte metten gemaakt met de praktijk van de ‘verstopte’ aanvraag omgevingsvergunning. Enerzijds onderkent de Afdeling dat de figuur van de lex silencio positivo voor bestuursorganen een belangrijke stok achter de deur is om tijdig te beslissen. Anderzijds dient voor het bevoegd gezag wel direct duidelijk te zijn (i) dat sprake is van een aanvraag, en (ii) voor welke specifieke activiteiten de omgevingsvergunning wordt gevraagd. Dit betekent dat de aanvraag in een zelfstandig stuk opgenomen moet worden en dat het moet gaan om een evidente aanvraag.

 

Aanvragers dienen dus aan deze eisen te voldoen als ze de aanvraag op een wijze indienen anders dan door gebruikmaking van het Omgevingsloket Online of het Bor-formulier. Bestuursorganen dienen erop te letten of ze een zelfstandige brief van de aanvragen krijgen waarin eenduidig en ondubbelzinnig kenbaar wordt gemaakt dat een omgevingsvergunning wordt gewenst (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2018:3541). De Afdeling heeft overigens in overgangsrecht voorzien inhoudende dat deze lijn niet van toepassing is op omgevingsvergunningen die op de datum van de uitspraak reeds onherroepelijk waren.

 

ABRvS 20 maart 2019, www.rechtspraak.nl:ECLI:NL:RVS:2019:829

ABRvS 27 maart 2019, www.rechtspraak.nl:ECLI:NL:RVS:2019:850