Actualiteiten

Wachten met invordering = uitstel van betaling

Door Jaap IJdema

De mededeling aan de overtreder dat wordt gewacht met de invordering van de verbeurde dwangsommen, totdat de invorderingsbeschikking formele rechtskracht heeft verkregen, is een besluit tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze brief leidt derhalve tot verlenging van de verjaringstermijn van de bevoegdheid tot invordering.

De bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom verjaart na een jaar vanaf het moment waarop de dwangsom is verbeurd. Dat volgt uit artikel 4:104 jo. 5:35 Awb.

De verjaring kan worden gestuit, waarna weer een nieuwe verjaringstermijn (van in dit geval een jaar) begint te lopen. De gronden van stuiting zijn limitatief opgesomd in artikel 4:105 en 106 Awb.

Daarnaast bepaalt artikel 4:111 Awb dat in bepaalde gevallen de verjaringstermijn wordt verlengd.

Eén van die gevallen is het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 lid 1 Awb. Bij uitstel van betaling wordt de verjaringstermijn verlengd met de termijn waarvoor uitstel van betaling is verleend.

In de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2020 kwam de vraag aan de orde of uitstel van betaling was verleend.

Het bevoegd gezag had in de beslissing op bezwaar tegen de invorderingsbeschikking het bezwaar ongegrond verklaard, maar tegelijkertijd meegedeeld dat het zou wachten met de invordering van de verbeurde dwangsom, totdat de invorderingsbeschikking formele rechtskracht had verkregen.

Het bevoegd gezag stelde dat het met deze beslissing tevens uitstel van betaling had verleend en dat daardoor de verjaringstermijn was verlengd.

De overtreder betoogde, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014 en 5 augustus 2015, dat de mededeling dat wordt gewacht met de invordering van de verbeurde dwangsom niet gelijk is aan een besluit tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 lid 1 Awb.

De Afdeling stelde het bevoegd gezag in het gelijk. De vergelijking met de twee door de overtreder aangehaalde uitspraken ging volgens de Afdeling niet op, omdat in die zaken sprake was van een mededeling aan de Afdeling dat bereidheid bestond om de invordering op te schorten, tot de uitspraak in hoger beroep respectievelijk de voorzieningenrechter van de rechtbank dat de invordering zou worden opgeschort totdat uitspraak was gedaan op het beroep.

De Afdeling lijkt dus van doorslaggevend belang te vinden dat, de mededeling dat gewacht zou worden met de invordering in de twee eerdere uitspraken niet rechtstreeks aan de overtreder was gericht en in dit geval wel.

Helemaal logisch vind ik die uitspraak niet.

In haar uitspraak van 9 april 2014 verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 19 juni 2013. In die uitspraak had het bevoegd gezag in een brief aan de overtreder meegedeeld dat, het hangende het bezwaar tegen de last onder dwangsom niet zou overgaan tot inning van de verbeurde dwangsom en dat het nemen van een invorderingsbeschikking zou worden uitgesteld tot na de beslissing op bezwaar.

De Afdeling oordeelde dat de (aan de overtreder gerichte) mededeling dat vooralsnog niet tot invordering zou worden overgegaan niet hetzelfde is als het verlenen van uitstel van betaling. Dat lijkt mij ook juist. Als uitstel van betaling is verleend, kan nog niet worden overgegaan tot invordering.

Het lijkt mij dan ook verstandig om in dit soort gevallen niet te schrijven dat gewacht zal worden met invordering, maar expliciet te besluiten uitstel van betaling te verlenen.

ABRvS 21 oktober 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2020:2472