Actualiteiten

Afgesproken singelbeplanting

Privaatrechtelijk handelen in publiekrechtelijke kwesties door de overheid. Partijen hebben een privaatrechtelijke, zogenaamde ‘Bom+’ overeenkomst gesloten, waarbij gedaagde zich heeft verplicht tot het leveren van een tegenprestatie, bestaande uit het aanleggen en instandhouden van (singel) beplanting en een infiltratiesloot.

 

Aan een agrariër wordt in 2008 voor de bouw van een varkensstal een bouwvergunning met vrijstelling verleend ex art. 19 lid 1 WRO. Daarbij wordt een overeenkomst gesloten waarbij de agrariër zich verplicht tot het aanleggen van singelbeplanting en een infiltratiesloot conform een bijgevoegd plan. De agrariër voert dit niet uit. De gemeente vordert dat hij tot nakoming zal worden veroordeeld op straffe van verbeurte van een dwangsom.

 

De agrariër verweert zich onder meer met het argument dat de overeenkomst ongeldig is; er is sprake van een onaanvaardbare doorkruising van publiek- en privaatrecht in de zin van het Windmill-arrest. De gemeente voert aan dat in een provinciale beleidsnota staat dat, naast de publiekrechtelijke verankering en toepassing, ook contractueel moet worden vastgelegd welke tegenprestaties aan de orde zijn, hoe en binnen welke termijn die geëffectueerd zullen worden en dat aan de niet-nakoming sancties zullen worden verbonden.

 

De rechtbank overweegt dat zij ex-tunc gaat toetsen: zij zal de geldigheid van de overeenkomst beoordelen naar de stand van zaken in 2008. Zij overweegt dat de Afdeling al in de uitspraak Linderveld uit 2006 (Bouwrecht 2006-115) had geoordeeld dat aan planologische besluiten voorwaardelijke verplichtingen kunnen worden verbonden. Het was dus mogelijk om de verplichting tot realisering van de beplanting etc. op te nemen in een planologisch besluit. Dat is volgens het Windmill-arrest van de Hoge Raad een belangrijke aanwijzing dat er geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg. De rechtbank overweegt verder dat uit de wet Ruimtelijke Ordening niet blijkt of de privaatrechtelijke weg begaanbaar is, want daarover is ex- noch impliciet iets gezegd. De overeenkomst valt onder de inhoud en de strekking van deze publiekrechtelijke regeling, want het ging om een passende verbetering van de omgevingskwaliteit. De gemeente heeft weliswaar verwezen naar het provinciaal beleid en daarin wordt weliswaar gezegd dat naast de publiekrechtelijke verankering e.e.a. ook contractueel dient te worden vastgelegd, maar er is geen publiekrechtelijke verankering gebleken. Er is dus niet een complementaire privaatrechtelijke overeenkomst, welke de Afdeling in 2008 in bepaalde gevallen pleegde toe te staan. Uit het planologische besluit blijkt niet heel helder dat daarin verwezen is naar de overeenkomst. Als dat wel het geval zou zijn, zou dat misschien voor derden reden zijn geweest om geen bezwaar te maken en dat zou wellicht reden zijn geweest om een vordering toe te wijzen. Maar die overeenkomst staat niet heel duidelijk in het planologisch besluit, zodat niet gezegd kan worden dat de in de overeenkomst opgenomen beplantingsverplichting als onderdeel van het besluit formele rechtskracht heeft verkregen. Al met al overweegt de rechtbank dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg. Daarom wordt de vordering afgewezen.

 

Het is een zeer uitvoerige uitspraak die duidelijk maakt hoezeer de rechtbank met deze materie heeft geworsteld.

 

Rb Limburg 21 juni 2017, www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBLIM:2017:5735 

 

Door Rikkert Hoekstra