Actualiteiten

Beslissing op verzoek om wijziging tenaamstelling natuurvergunning is een Awb-besluit

De beslissing op het verzoek om wijziging van de tenaamstelling van een op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleende natuurvergunning is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In dit geval stonden de (financiële) belangen van appellante niet in de weg aan de wijziging van de tenaamstelling. Uit de uitspraak van 21 maart 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BV9525 kan niet kan worden afgeleid dat een verzoek om wijziging van de
tenaamstelling van een natuurvergunning uitsluitend kan worden gedaan door de
vergunninghouder en niet door een andere belanghebbende.

Inleiding
In deze zaak gaat het over de vraag of tegen de wijziging van de tenaamstelling van een natuurvergunning geprocedeerd kan worden en als dat kan of het college de natuurvergunning die aan appellante was verleend op naam van Dutch Dairy Genetics B.V. (hierna: Dutch Dairy) mocht zetten.

Op 9 december 2015 is aan appellante een natuurvergunning verleend voor het in werking hebben van een pluimveebedrijf in Groesbeek. Deze natuurvergunning is na de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3154, onherroepelijk geworden.

Het pluimveebedrijf is tijdens de beroepsprocedure over de natuurvergunning in april 2016 op een executieveiling verkocht aan Dutch Dairy. Zij heeft het college op 31 mei 2016 verzocht de natuurvergunning op haar naam te stellen. Het college heeft de tenaamstelling op 5 augustus 2016 gewijzigd.

Oordeel Afdeling
In de Natuurbeschermingswet (Nbw) 1998 en de Wnb is geen regeling opgenomen over de overgang van een natuurvergunning op een andere natuurlijke of rechtspersoon, die op grond van die wet is verleend. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525, betekent dat niet dat een natuurvergunning niet kan overgaan op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon. De aard van een op grond van de Wnb verleende natuurvergunning - die in de regel zaaksgebonden is - verzet zich er niet tegen dat een belanghebbende bij het bestuursorgaan dat bevoegd is de vergunning te verlenen een verzoek kan doen om wijziging van de tenaamstelling. De bevoegdheid om de tenaamstelling te wijzigen ligt naar het oordeel van de Afdeling besloten in de bevoegdheid tot vergunningverlening. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het bestuursorgaan medewerking verlenen aan het verzoek en langs die weg een overgang van de natuurvergunning bewerkstelligen. Deze mogelijkheid laat overigens de bevoegdheid van het college onverlet om in plaats daarvan een nieuwe natuurvergunning te verlenen.

De beslissing op het verzoek om wijziging van de tenaamstelling van een op grond van de Wnb verleende natuurvergunning is naar het oordeel van de Afdeling een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit bewerkstelligt dat de aan de vergunning verbonden rechten en plichten overgaan op een andere vergunninghouder. Degene op wiens naam de natuurvergunning wordt gesteld wordt daardoor gerechtigd van die vergunning gebruik te maken. De Afdeling sluit hiermee aan bij haar rechtspraak over de wijziging van de tenaamstelling van een op grond van de Woningwet (Wonw) (oud) verleende bouwvergunning (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8906).

De Afdeling overweegt dat een besluit tot wijziging van de tenaamstelling van een natuurvergunning betrekking heeft op de vraag wie gerechtigd is van de natuurvergunning gebruik te maken. Het besluit heeft tot gevolg dat een andere natuurlijke of rechtspersoon de houder van een eerder verleende natuurvergunning wordt. In dit geval is het verzoek en het besluit tot wijziging van de tenaamstelling gedaan en genomen nadat Dutch Dairy eigenaar was geworden van de pluimveehouderij waarop de natuurvergunning betrekking heeft. Appellante kon op dat moment geen gebruik meer maken van de natuurvergunning. De (financiële) belangen van appellante stonden daarom niet in de weg aan de wijziging van de tenaamstelling. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het college het financiële belang van appellante had moeten betrekken bij het besluit tot wijziging van de tenaamstelling en dat het college pas tot wijziging van de tenaamstelling kon overgaan nadat de vergunninghouder door de rechtsopvolger is gecompenseerd.

ABRvS 31 maart 2021, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2021:667

 

Door Rosalin Storm