Actualiteiten

Bestuurders van rechtspersonen als overtreders in de zin van de Wet milieubeheer

De Afdeling heeft nogmaals bevestigd dat, naast degene die de gedraging in fysieke zin verricht, een bestuurder die van de betrokken gedraging op de hoogte was maar daaraan – hoewel hij dit wel had kunnen doen – geen einde heeft gemaakt, mag worden gesanctioneerd.

De kwestie
Voor de inrichting in kwestie (‘Parkmanagement’) geldt onder meer een omgevingsvergunning voor, kort gezegd, het in werking hebben van een inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en voor loonwerk en aanverwante werkzaamheden.

Gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben tweemaal een last onder dwangsom opgelegd, vanwege (I) het in strijd met artikel 17.2 van de Wet milieubeheer niet tijdig melden van een ongewoon voorval in een inrichting, en (II) het in afwijking van de omgevingsvergunning voor deze inrichting opslaan van afvalstoffen langer dan de toegestane periode.

GS hebben onder dwangsom gelast beide overtredingen te beëindigen, waarbij de laatste last mede gericht is tot Junior Beheer B.V. en betrokkene A en B. Door deze betrokkenen werd betoogd dat zij niet de feitelijke leidinggevenden/bedrijfsleiders zijn. Echter, volgens uittreksels uit het handelsregister zijn zij middellijk bestuurders en houden zij zich bezig met het daadwerkelijk besturen van deze bedrijven.

De Afdeling

De vraag wie als daadwerkelijke overtreder kon worden aangemerkt bij de overtreding van de omgevingsvergunning is niet heel ingewikkeld. Degene die de inrichting exploiteert – in de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde jurisprudentie wordt deze persoon aangeduid als de drijver van de inrichting – is vergunninghouder en moet de voor die inrichting geldende omgevingsvergunning naleven. In dit geval is dat Parkmanagement. 

Dan de vraag of ook Junior Beheer B.V. en betrokkene A en B als overtreder kunnen worden aangemerkt.

De Afdeling merkt op dat ook bestuurders van rechtspersonen onder omstandigheden feitelijk leiding kunnen geven aan de verboden gedraging. Daarvan kan ook sprake zijn wanneer een bestuurder op de hoogte is van de betrokken gedraging en daaraan – hoewel hij dit had kunnen doen – geen einde heeft gemaakt (vergelijk de arresten van de Hoge raad van 20 november 1984, ECLI:NL:PHR1984:AC8601, NJ 1985/355, en van 16 december 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9607, NJ 1987/321). Zij kunnen dan ook worden aangemerkt als (rechts)personen die feitelijk leiding hebben gegeven aan de overtreding en zodoende op die overtreding worden aangesproken.


De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd en geoordeeld dat GS terecht Parkmanagement, Junior Beheer, [appellant A] en [appellant B],
als overtreder hebben aangemerkt.

Conclusie

Het bevoegd gezag staat bij handhaving in milieuovertredingen regelmatig voor de vraag wie als overtreder kan worden aangemerkt. Een last onder dwangsom mag alleen aan overtreders worden opgelegd. In artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat niet alleen degene die de gedraging in fysieke zin verricht, maar ook een bedrijf of instelling of de leiding hiervan als overtreder zal kunnen worden aangemerkt.

ABRvS 21 augustus 2019,  www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:2826

 

Door Najima Khan