Actualiteiten

Bouwtijdoverschrijding

Meerwerk van meer dan 50% van de originele aanneemsom leidt tot flinke bouwtijdoverschrijding, maar beperkte stagnatieschade. Hoe dat zit volgt uit de volgende uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA).

 

De gemeente gunt op 11 september 2014 aan de aannemer de uitvoering van renovatiewerkzaamheden aan een kademuur en vervanging van riolering op basis van een bestek voor een aanneemsom van € 1.947.000,- exclusief BTW. In het bestek zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) van toepassing verklaard en is bepaald dat het werk moet worden opgeleverd binnen 200 werkbare werkdagen.

 

Tijdens de uitvoering van het werk treedt een aanzienlijke stagnatie op, waarna de oplevering op 10 juni 2016 plaatsvindt. Reeds tijdens de uitvoering stuurt de aannemer een memo aan de gemeente, waarin zijn verzoekt om bouwtijdverlenging en melding maakt van stagnatieschade ten bedrag van (initieel) € 1.664.148,83.

 

De gemeente start vervolgens een procedure bij de RvA. In eerste aanleg wordt door de arbiters geoordeeld dat het werk opgeleverd had moeten worden op 17 februari 2016 en dat de aannemer recht heeft op € 40.482,- aan meerwerk. De aannemer gaat hiertegen in hoger beroep, waarin wordt gediscussieerd over de startdatum van de werkzaamheden, de bouwtijdverlenging en de door de aannemer geclaimde stagnatieschade.

 

Voordat wij deze punten zullen bespreken, een korte opmerking over een processueel aspect. De aannemer heeft namelijk voor de mondelinge behandeling in hoger beroep haar vordering verminderd bij akte. De advocaat van de gemeente maakt bezwaar tegen deze akte, omdat weliswaar het totaal te vorderen bedrag aan (stagnatie-)schade wordt verlaagd, maar enkele schadeposten daarin waren verhoogd. De gemeente stelt dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om schriftelijk op deze verhoogde schadeposten te reageren en dat de goede procesorde zich dan ook tegen deze handelswijze van de aannemer verzet. De arbiters gaan mee in het standpunt van de gemeente en laten de vermeerderde schadeposten buiten beschouwing. Zij motiveren hun oordeel door erop te wijzen, dat in hoger beroep in beginsel niet later dan bij memorie van grieven of antwoord een eisvermeerdering/-wijziging mag worden ingesteld (vgl. ECLI:NL:HR2008:BC4959, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en ECLI:NL:HR:2015:2906). Volgens arbiters doet een uitzondering op deze regel zich niet voor.

 

Ten aanzien van de start van de werkzaamheden staat vast dat in de bouwvergadering van 15 oktober 2014 is afgesproken dat de werkzaamheden op 17 november 2014 zouden aanvangen. Daarna heeft de aannemer een herziene planning gemaakt waarop 5 januari 2015 als startdatum is vermeld. Hoewel de arbiters in eerste aanleg anders oordeelden, zijn appelarbiters van mening dat de gemeente het vertrouwen heeft gewekt met 5 januari 2015 akkoord te zijn. De gemeente heeft aldus de appelarbiters de herziene planning niet afkeuring en ook geen commentaar daarop gegeven. Daarbij is in de bouwverslagen vanaf november 2015 de startdatum aangepast naar 5 januari 2015. Tevens blijkt dat partijen de werkbare dagen steeds vanaf 5 januari 2015 hebben bijgehouden.

 

In het kader van het debat over de bouwtijdverlenging is een rapport door Witteveen en Bos opgesteld in opdracht van de gemeente. Uit dit rapport blijkt volgens appelarbiters dat beide partijen in onvoldoende mate aan bouwmanagement hebben gedaan. Tevens wordt in het rapport gesproken over een kwalitatief niet sterk bestek, onjuiste tekeningen, planningen waarvan flink werd afgeweken, veel meerwerk (53% meer!) en een complexe omgeving. De appelarbiters verwijten de partijen in dit kader zelfs dat ze uitsluitend de passages uit het rapport aanhalen die in hun voordeel zijn. 

 

Wat het effect van de door Witteveen en Bos omschreven omstandigheden zijn geweest op de planning konden de arbiters kennelijk niet duidelijk krijgen. Zij schrijven daarover zelfs letterlijk: “De vele bomen verhullen het zicht op het bos”, waarbij de arbiters kennelijk met ‘de bomen’ de redenaties, die de gemeente en aannemer hebben aangevoerd, bedoelen. De arbiters merken dan ook op dat duidelijk is dat het meerwerk tot extra benodigde werktijd heeft geleid, maar dat de aannemer de omvang onvoldoende heeft aangetoond. De arbiters schatten, vermoedelijk ingegeven door de omstandigheden die de gemeente moeten worden toegerekend, de extra bouwtijd daarom op 100 werkbare dagen.

 

Omdat er dan nog maar een gering percentage aan daadwerkelijk gewerkte dagen overbleef tot de opleveringsdatum, vragen de arbiters zich af of er sprake is geweest van stagnatieschade aan de zijde van de aannemer. Dit mede omdat vast staat dat de gemeente 13% opslag heeft vergoed over het meerwerk. Uiteindelijk krijgt de aannemer naast de eerder door de gemeente al extra uitbetaalde bedragen, een extra vergoeding van € 34.355,-. De aannemer dient de proceskosten van de eerste aanleg te voldoen en beide partijen de helft van de proceskosten in het hoger beroep.

 

Al met al lijkt in deze kwestie zowel tijdens de uitvoering van het bouwproject als tijdens het voeren van de procedure het nodig te zijn misgegaan aan de zijde van beide partijen. Wij zien in deze uitspraak bevestigd dat:

- partijen kritisch moeten zijn op hun eigen rol tijdens de uitvoering, zoals in dit geval onder meer aan de zijde van de gemeente als opdrachtgever dat het bestek niet deugdelijk was en aan de zijde van de aannemer dat niet duidelijk de gevolgen voor de planning waren bijgehouden;

- het in hoger beroep van belang is om alle grieven, eventuele nieuwe feiten en omstandigheden, maar ook de te vorderen bedragen, in de memorie van grieven of antwoord goed en compleet te formuleren. Na betreffende memorie valt er niet veel meer ‘te verbeteren’.

 

RvA 6 juni 2019, 72.150

 

Door Anouk Broekman-de Feijter