Actualiteiten

De gedoogbeslissing is niet (langer) appellabel

De Afdeling oordeelt dat een gedoogbesluit geen besluit in de zin van de Awb is. Dit geldt ook voor de weigering of intrekking ervan.

 

In een eerdere nieuwsbrief schreef collega Jaap IJdema over de conclusie van de Advocaat-Generaal Widdershoven (A-G) over de vraag of een (persoonsgebonden) gedoogverklaring een besluit als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

 

Voor het geschil en het verloop van de procedure verwijs ik graag naar dat nieuwsbriefartikel. In het kort gaat het in casu om een geschil tussen de eigenaar van een schuur met overkapping en het college van B en W van de gemeente Bladel. Het gemeentebestuur had een persoonsgebonden gedoogbeschikking onder voorwaarden verleend. Deze gedoogverklaring zag op een sinds 1933 bestaand, maar niettemin illegale stal met overkapping op het perceel van de overtreder.

 

De A-G opperde om gedoogbeslissingen met het oog op rechtsbescherming voor derde-belanghebbenden met een besluit gelijk te stellen en voor de rechtsbescherming van de overtreder aan te sluiten bij de rechtspraak over bestuurlijke rechtsoordelen.

 

De Afdeling bestuursrechtspraak kiest er echter voor om alle gedoogbeslissingen niet met een besluit in de zin van de Awb gelijk te stellen. Gedoogbeslissingen zijn geen besluiten omdat deze beslissingen niet op rechtsgevolg zijn gericht. Een beslissing om (al dan niet onder voorwaarden) niet tot handhaving over te gaan, berust immers niet op een zelfstandige bevoegdheid, maar vloeit voort uit een wettelijk toegekende bevoegdheid tot het nemen van een handhavingsbesluit. Het gelijkstellen van alle soorten gedoogbeslissingen met een besluit, zou suggereren dat de rechter het nemen van beslissingen over gedogen als een zelfstandige bevoegdheid beschouwt naast de handhavingsbevoegdheid. Alleen de wetgever zou tot het scheppen van een dergelijke bevoegdheid kunnen overgaan. Een dergelijke algehele gelijkstelling zou daarom, daargelaten of die wenselijk zou zijn, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan.

 

Er wordt overigens alleen een uitzondering gemaakt als er zeer klemmende, concrete gronden voor het aannemen van een rechtsplicht aan het verzoek tot gedogen ten grondslag liggen (zie de uitspraak van 18 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AG1717). Tot op heden heeft de Afdeling nog geen geval aangenomen waarin zich deze situatie voordeed.

 

Tot slot

Dat er tegen een gedoogbeslissing geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen (meer) kunnen worden aangewend, betekent echter niet dat een derde machteloos staat ten opzichte van een gedogend bestuursorgaan. Een derde kan immers bij dit bestuursorgaan een verzoek om handhaving indienen. De schriftelijke reactie op een verzoek van een belanghebbende om een besluit tot handhaving te nemen is een besluit in de zin van de Awb. Bovendien krijgt de derde met de reactie van het bestuursorgaan op het verzoek om handhaving via een niet-bezwarende weg de door hem gewenste duidelijkheid. Een gedoogbeslissing die ambtshalve of op verzoek van een overtreder is genomen, geeft die duidelijkheid niet. Met een gedoogbeslissing neemt het bestuursorgaan immers nog geen (definitief) standpunt in over de vraag of, hoe en wanneer handhavend zal worden opgetreden.

Indien het bestuursorgaan nalaat om een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit omtrent handhaving te nemen, biedt artikel 6:2 van de Awb de verzoeker om handhaving zijn rechtsingang bij de bestuursrechter.


ABRvS 24 april 2019,  www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RVS:2019:1356

 

Door Najima Khan