Actualiteiten

De staatssteunontvanger moet op zijn tellen passen (maar de steunbetaler ook!)

In een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden gaat het om de gemeente Harlingen bij aankoop van een perceel grond verleende staatssteun. De grond is gelegen tussen het centrum van Harlingen en een rijksweg. Op onteigeningsbasis is de grond een bedrag van ruim € 11.000.000,- waard. De waarde in het economisch verkeer wordt -achteraf - getaxeerd op een bedrag van ruim € 7.000.000,- . Uiteindelijk wordt overeengekomen een prijs van € 8.500.000,- : € 6.500.000,-  te betalen bij levering en € 2.000.000,-  te betalen na bedrijfsverplaatsing/herinvestering door de verkoper, doch in elk geval vijf jaar na de datum van de levering. De verkoper had elders in Harlingen en Nederland ook nog vestigingen.

 

De gemeente wil van de verleende staatsteun af, die volgens haar een bedrag beloopt van € 2.250.000,-. De verkoper wil betaling van het bedrag van € 2.000.000,-. De rechtbank oordeelt dat er inderdaad staatssteun is verleend, dat voor het herstel van de mededingingsrechtelijke situatie een partiële vernietigverklaring van de koopprijs voldoende is, dat geen onverbrekelijk verband bestaat tussen de staatssteun en de koop en wijst de vordering van de gemeente toe.

 

Het hof oordeelt om te beginnen dat de gemeente haar procesbevoegdheid niet misbruikt: verlening van staatssteun is verboden. Van misbruik is pas sprake als de eisende partij/de gemeente op voorhand moet begrijpen dat de ingestelde vorderingen geen kans van slagen hebben en dat hadden zij blijkens het vonnis van de rechtbank nu juist wel. Dat de gemeente zijn staatssteun zelf heeft verstrekt, betekent niet dat de gemeente er geen beroep op mag doen dat deze verboden is: immers, dat zou afbreuk doen aan het met het verbod beoogde effect, namelijk dat verlening van staatssteun wordt tegengegaan; de staatssteunontvanger moet op zijn tellen passen.

 

De rechter heeft tot taak om de rechten van burgers te beschermen tegen niet – aangemelde steunmaatregelen, ongeacht de mogelijkheid dat de commissie eventueel de steun verenigbaar verklaart met de interne markt. Het gaat erom dat concurrentievoordeel wordt opgeheven. De meest voor de hand liggende maatregel is de volledige terugvordering van de onwettige staatssteun door nietigverklaring. De terugvordering moet geschieden op de meest doeltreffende wijze, hetgeen iets anders is dan “de minst bezwarende wijze”, zoals de rechtbank had geoordeeld. Voor de vraag of de overeenkomst als geheel nietig moet worden geoordeeld is beslissend of de beide onderdelen van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staan met elkaar.

 

Voor de verlening van staatssteun is beslissend of er objectief bezien al dan niet een marktconforme prijs is betaald; niet relevant is dat de gemeente meende een redelijke prijs te betalen. De waarde is voorafgaand aan de transactie niet – goed – getaxeerd, maar dat gebeurt alsnog. Dat deze taxatie drie jaar na dato wordt opgesteld (dus: met een waardepeildatum van drie jaar daarvoor) wil op zichzelf nog niet zeggen dat de taxatie niet betrouwbaar is. De taxatie noemt een bedrag van € 6.250.000,-, zodat het niet aannemelijk wordt geoordeeld dat een particuliere partij bereid zou zijn geweest om een bedrag te betalen van € 8.500.000,- (wat er verder zij van het rentevoordeel doordat een deel van de koopsom later kon worden betaald). Het is overigens al het wel zo dat de prijs die in het kader van een onteigening wordt betaald, niet geldt als staatssteun. Daarvoor is het niet nodig dat de onteigeningsprocedure reeds is ingezet; het gaat erom of er sprake was van een voorzienbare onteigening. Daar blijkt echter van niet: er lagen geen concrete plannen voor de herbestemming. Het terrein was door de gunstige ligging voor de gemeente wel van strategisch belang, maar niet van cruciaal belang. Niet aannemelijk is dat er daadwerkelijk een voornemen bestond om tot onteigening over te gaan.

 

De verkoper was actief op de markt voor prefab betonvloeren en-wanden. Hij was niet slechts regionaal of plaatselijk actief. Het voordeel dat de verkoper had als gevolg van de steun, kan het andere marktdeelnemers moeilijker maken om de Nederlandse markt te betreden.

 

De strekking van het verbod op staatsteun is – kort gezegd – te verzekeren dat voorgenomen steunmaatregelen door de commissie kunnen worden beoordeeld op verenigbaarheid met de interne markt. Dat pleit ervoor dat de overeenkomst in haar geheel wordt vernietigd. Immers, de door de rechtbank aangenomen partiële nietigheid komt erop neer dat de gemeente wordt beloond voor het schenden van haar notificatieplicht. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan het nuttig effect van het staatssteunverbod. Alleen al om die reden is er volgens het hof geen plaats voor partiële vernietiging. Al bovendien oordeelt het hof dat de koopprijs in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst. De hoogte van de prijs is in beginsel een onsplitsbaar beding. Dat de betaling van de koopsom in twee termijnen is gesplitst, is geen belangrijke aanwijzing dat partijen de koopsom in algemene zin als splitsbaar hebben beoordeeld, want er moest hoe dan ook na vijf jaar worden betaald. De verkoper heeft bovendien gesteld dat zij nooit de bedoeling heeft gehad om het terrein voor een bedrag van € 6.250.000,- aan de gemeente te verkopen. De stelling van de gemeente dat algehele nietigheid leidt tot een grootte incassorisico voor de gemeente, doet voor het hof niet ter zake. Dergelijke complicaties waren voorzienbaar; dan had de gemeente de staatssteun maar van te voren moeten aanmelden: ook de betaler van staatssteun moet dus op zijn tellen passen!

 

Het hof verklaart de koopovereenkomst nietig, veroordeelt de gemeente om eraan mee te werken, dat in de openbare registers het terrein weer op naam van de verkoper wordt gesteld en veroordeelt de gemeente in de kosten van geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Wij lichten het toe dat de nietigverklaring van de koopovereenkomst betekent dat met terugwerkende kracht blijkt dat aan de levering geen deugdelijke titel ten grondslag lag, hetgeen betekent dat de levering nooit heeft plaatsgevonden. Dat leidt dan tot de consequentie dat het perceel in de openbare registers weer op naam van de verkoper moet worden gesteld. Bij ontbinding van een overeenkomst ligt dat anders, een ontbinding heeft geen terugwerkende kracht. Dat betekent dat de levering oorspronkelijk wel geldig was, met dien verstande, dat als gevolg van de ontbinding een ongedaanmakingsverbintenis bestaat strekkende tot terug levering van het perceel. Dat is dus bij nietigverklaring anders, want daardoor is met terugwerkende kracht de oorspronkelijke levering ongeldig.

 

Dit arrest maakt helder dat het wel mooi lijkt dat een gemeente onder een transactie uit kan komen door beroep te doen op staatssteunverlening, maar dit is wel een tweesnijdend zwaard: het was niet de bedoeling van de gemeente dat zij het terrein weer moest inleveren bij de verkoper!   

 

Hof Arnhem-Leeuwarden 6 november 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:9636

 

Door Rikkert Hoekstra