Actualiteiten

Een onbewuste beweging, die optreedt bij bepaalde emoties

Een inwoner van Roermond vraagt het college om handhavend op te treden tegen zijn springende bovenbuurman. De Afdeling heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld daartoe niet bevoegd te zijn.

 

Een inwoner van Roermond deed een verzoek bij het college van burgemeester en wethouders van die gemeente om handhavend op te treden tegen zijn bovenbuurman, wegens door deze buurman veroorzaakte overlast. Dat handhavend optreden zou moeten plaatsvinden op grond van artikel 151d en 174a van de Gemeentewet en de Woningwet.

 

Het college had aangegeven niet bevoegd te zijn om op te treden en daarom het verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Awb aangemerkt. Het daaropvolgende bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat bij gebrek aan een aanvraag ook geen sprake was van een besluit in de zin van de Awb. De rechtbank heeft overwogen dat op basis van artikel 174a van de Gemeentewet en artikel 7.22 van het Bouwbesluit voor het college wel een bevoegdheid bestaat om handhavend op te treden.

 

De Afdeling gaat in de uitspraak van 15 mei 2019 de verschillende bevoegdheden af. Het college, noch de burgemeester, is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd om op te treden. Het regelmatig op de vloer springen door de bovenbuurman leidt weliswaar tot overlast in de woning van de buurman, maar niet tot een verstoring van de openbare orde als bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet. De overlast die veroorzaakt wordt door het springen kan volgens de Afdeling gelet op de inhoud en de strekking van het Bouwbesluit ook niet gezien worden als overlast in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit.

 

Over optreden op grond van artikel 151d van de Gemeentewet, de zogenoemde Wet aanpak woonoverlast, is de Afdeling kort: de gemeenteraad van Roermond heeft de burgemeester niet in een verordening de bevoegdheid toegekend om op grond van die bepaling op te treden. Afgevraagd kan worden of er, ware dat wel het geval, redenen waren om de bovenbuurman een gedragsaanwijzing op te leggen om het springen (een onbewuste beweging, die optreedt bij bepaalde emoties) te staken.

 

Er lijkt in dit geval eerder sprake van een burenruzie, dan van een geval van woonoverlast. Dat de verzoeker om handhaving op z’n zachtst gezegd zelf ook bepaalde emoties heeft blijkt wel uit rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de Afdeling:

 

“Voor zover [appellant sub 1] nog heeft gewezen op de verdenking van het strafbaar en onrechtmatig handelen van diverse rechters en het college, het vergoeden van letselschade, het veroordelen van diverse personen om geen werkzaamheden te mogen uitvoeren voor de overheid, het vergoeden van kosten voor de uitvoering van een executoriale titel en in verband met de uitvoering van de executoriale titel diverse personen te (laten) gijzelen, overweegt de Afdeling dat de bestuursrechter onbevoegd is hierover te oordelen. Deze gronden blijven dan ook buiten bespreking.”

 

Het is nog steeds wachten op de eerste uitspraken over de toepassing van de Wet aanpak woonoverlast, die sinds 1 juli 2017 van kracht is.

 

ABRvS 15 mei 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:1569

 

Door Ad Schreijenberg