Actualiteiten

Een onderhandse koopakte

Contractenrecht, bewijsrecht. Is er een koopovereenkomst terzake van onroerend goed gesloten? Uitleg en bewijskracht van onderhandse akte; art. 157 lid 2 Rv. Bewijsoordeel voldoende gemotiveerd?

 

Twee partijen spreken met elkaar over de aankoop van onbebouwde grond. Er wordt door partijen een schriftelijk stuk, dus een akte, ondertekend waarop in steekwoorden is weergegeven ‘overeengekomen’, ‘aankoop grond’ met een bepaalde oppervlakte, waarop een bepaalde koopsom is genoemd met de woorden ‘akte notaris 1 juli 2010’ en als ontbindende voorwaarden zijn genoemd ‘financiering, toestemming’.

 

Wat er vervolgens gebeurd is, wordt door de uitspraak niet helemaal helder. De verkoper moest zijn paardenbak etc. verplaatsen en dat leverde een probleem op met de gemeente, onder meer vanwege het agrarisch karakter van het resterende deel. Het draait echter uiteindelijk niet om de ontbindende voorwaarde die al dan niet bedoeld is met het woord ‘toestemming’, maar om het bestaan van de koopovereenkomst zelf.

 

Verkoper stelde zich op het standpunt dat de akte te summier was: het ging slechts om een intentieovereenkomst. Er was nog helemaal niets uitgewerkt. Hij was overvallen.

 

De rechtbank oordeelt dat er geen overeenkomst is: zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de prijs voor de ene strook grond een andere zou zijn dan de prijs per vierkante meter voor een ander perceel. Ook het hof oordeelt dat er geen overeenkomst is: het schriftelijke stuk is een onderhandse akte die weliswaar dwingend bewijs oplevert, maar volgens het hof staat er in de akte geen concrete, op koop en verkoop gerichte verklaring, zodat er geen dwingende bewijskracht bestaat t.a.v. de vraag of door ondertekening er van een overeenkomst van koop tot stand is gekomen. Vervolgens heeft het hof afgelegde getuigenverklaringen gewaardeerd, maar heeft uiteindelijk geconcludeerd dat het bewijs niet geleverd was.

 

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel dat de akte geen dwingende bewijskracht had, op zichzelf deugdelijk was. Echter, ook al heeft de akte geen dwingende bewijskracht terzake van het bestaan van de koopovereenkomst, dan heeft de akte nog wel enige bewijskracht, die tezamen met de getuigenverklaringen weldegelijk zou kunnen leiden tot de conclusie dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het hof heeft het bewijs niet goed gewaardeerd door weliswaar in haar overwegingen op basis van de afgelegde getuigenverklaringen te concluderen dat geen overeenkomst tot stand was gekomen, maar zonder daarbij de akte te noemen. Immers, het hof had bij zijn eindafweging ook de bewijskracht van de akte moeten meenemen. Als het hof de akte wel heeft meegenomen bij de bewijswaardering zonder de akte te noemen, dan is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat in de akte weliswaar summier, maar toch duidelijk een oppervlakte, kadastrale kenmerken, een prijs en een leveringsdatum zijn neergelegd.

 

Kortom: het is niet makkelijk om een door partijen ondertekend geschrift te passeren!

 

HR 22 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2017:3263

 

Door Rikkert Hoekstra