Actualiteiten

Een passend zorgaanbod voor een jeugdige

Tussen de curator en de gemeente is in geschil of de gemeente gehouden is een jeugdhulp voorziening te treffen voor de minderjarige, nu voor hem een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg is afgegeven en het zorgkantoor verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze wet. De voorzieningenrechter oordeelt dat het, anders dan de gemeente stelt en hoewel voor de minderjarige een indicatie op grond van deze wet is afgegeven, tot de taak van de gemeente behoort dat voor de minderjarige passende jeugdhulp ingezet wordt. De voorzieningenrechter komt verder tot het voorlopig oordeel dat de gemeente niet heeft voorzien in een passend zorgaanbod.

 

Een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland betreft een minderjarige die uit huis is geplaatst. Daarna is hij geplaatst in een voorziening voor gesloten jeugdhulp. Een bijzonder curator vordert dat de minderjarige daarna een passend zorgaanbod zal verkrijgen van de gemeente Emmen. De inrichting waar de minderjarige verbleef, kan verder geen passende zorg verlenen; deze voldoet niet aan het recht op jeugdzorg en behandeling zoals dat gebaseerd kan worden op het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind en Boek I van het Burgerlijk Wetboek.

 

De gemeente betwist het spoedeisend karakter. Inhoudelijk valt de kwestie volgens haar evident onder de Wet langdurige zorg en niet onder het toepassingsbereik van de Jeugdwet, zodat de curator niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen. Verder voert de gemeente aan dat zij wel een passend zorgaanbod heeft gedaan maar dat, als dat aanbod niet passend wordt geoordeeld, er in het noorden van het land helemaal geen passend zorgaanbod te vinden is.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat hij bevoegd is: het gaat om een vordering tot nakoming, gebaseerd op een wettelijk recht. De kwestie is ook spoedeisend, want het zorgaanbod binnen de voorziening voor gesloten jeugdhulp is ontoereikend.

 

Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter dat vóór 1 januari 2015 een jeugdhulpplicht gold; sinds 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. De gemeente is op grond daarvan gehouden om een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uit komen. Zij moet op basis van deskundige advisering beslissen over wat er nodig is.

 

Feit is dat er voor de minderjarige een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg is afgegeven en dat het zorgkantoor verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Wet langdurige zorg. Dat gegeven maakt echter niet dat de taak van de gemeente om passende jeugdhulp in te zetten, geëindigd is: op grond van artikel 1.2 lid 1 sub a zou men daar anders over kunnen denken, maar op grond van artikel 1.2 lid 3, in samenhang met artikel 2.4 lid 2 sub b Jeugdwet moet er toch een voorziening worden getroffen indien dat nodig is in verband met de ten uitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing. Het is niet juist dat de gemeente alleen voor aanvullende jeugdhulp verantwoordelijk is.

 

De gemeente is ook verantwoordelijk voor vormen van jeugdhulp die verplicht zijn en waarvoor de jeugdrechter reeds een rechterlijke machtiging inzake jeugdhulp in een gesloten setting heeft afgegeven.

 

Het door de gemeente aangeboden alternatieve aanbod wordt door de rechter niet passend geoordeeld op de grond dat de vader ter zitting heeft aangegeven dat om medische redenen de reisafstand voor hem te groot is.

 

De gemeente moet weliswaar zorgen voor een passend zorgaanbod, maar daarmee is geenszins bedoeld dat de gemeente te allen tijde een aanbod van alle mogelijke soorten jeugdhulp in stand moet houden. Bij zeer gespecialiseerde vormen van ondersteuning zal de jeugdhulpaanbieder niet altijd in de gemeente gelegen zijn waar de jeugdige verblijft.

 

Het is de taak van de gemeente om de zorgbehoefte in het samenwerkingsverband waarin zij opereert, tezamen met instellingen en de zorgaanbieders te inventariseren. Volgens het samenwerkingsverband van zorgaanbieders doet er zich gemiddeld eens per drie jaar een complexe casus voor als die van deze minderjarige. De rechter komt tot de bevinding dat deze inlichtingen op zichzelf wel interessant zijn, maar een onvoldoende inventarisatie is van de zorgbehoefte in het samenwerkingsverband waarin de gemeente opereert. Nu de gemeente geen initiatief heeft genomen om de omvang van de zorgvraag te onderzoeken, oordeelt de rechter dat zij tekort is geschoten in de op haar rustende verplichting om te voorzien in een passend zorgaanbod. Dat de gemeente het initiatief heeft genomen om in overleg met een aantal instellingen te bezien of ten aanzien van de doelgroep waartoe de minderjarige behoort, een aanvullend zorgaanbod kan worden gecreëerd, was onvoldoende proactief.

 

De gemeente wordt veroordeeld om te voorzien in een passend zorgaanbod. De termijn valt echter niet te bepalen, omdat er immers nog onderzoek moet worden gedaan. De rechter gaat er vanuit dat dit onderzoek nu voortvarend ter hand zal worden genomen. Mede daarom wordt aan de veroordeling vooralsnog geen dwangsom gekoppeld.

 

Conclusie: de verplichting om te voorzien in een passend zorgaanbod voor een jeugdige gaat vrij ver. Men kan dus niet op grond van inlichtingen van een bepaalde zorgaanbieder zeggen dat er in een bepaalde categorie te weinig vraag is om een voorziening op redelijke afstand te kunnen bieden. Er moet tijdig en proactief een inventarisatie worden gemaakt.

 

Rb. Noord-Nederland 22 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2017:4989

 

Door Rikkert Hoekstra