Actualiteiten

Fatale termijn

Artikel 6:83 BW bepaalt onder meer dat voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling vereist is, tenzij een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt. Dit laatste geldt, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft (dan dat het een fatale termijn is). Ook is geen ingebrekestelling nodig indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze wanprestatie zal leveren.

 

Koper koopt een horecagelegenheid met bovenwoning, die hij vanaf 1 juli tegen een bepaalde vergoeding in gebruik kan nemen, waarna er uiterlijk per 1 januari afgenomen en betaald moet worden.

 

Op 6 december zegt de koper dat hij niet per uiterlijk 31 december kan afnemen. Op 29 december gaat de verkoper buitengerechtelijk tot ontbinding over. Hij vordert een verklaring dat hij terecht heeft ontbonden plus schadevergoeding. De rechtbank wijst de vorderingen toe.

 

Het hof wijst de vordering af. In beginsel heeft een termijn op grond van artikel 6:83 BW een fataal karakter, zodat geen ingebrekestelling nodig is. Blijkt een andere strekking van de termijn? De woorden “uiterlijk 31 december” betekenen in het algemeen spraakgebruik “niet later dan 31 december”, maar dat hoeft niet per se te betekenen dat de termijn fataal is. Dat hangt af van de context. Er is echter niets gebleken waaruit de koper had moeten opmaken dat de termijn een fataal karakter had. Daarom is de koper niet in verzuim geraakt door de enkele overschrijding van de datum 31 december.

 

Dat de koper heeft gezegd dat hij 31 december niet ging halen, betekent niet dat daarmee het tekortschieten automatisch zou vaststaan. Als dat wel zo zou zijn, zou immers de datum 31 december alsnog een fataal karakter krijgen, maar het oorspronkelijk niet had. De koper hoefde niet te begrijpen dat 31 december een fatale datum was en de mededeling dat hij 31 december niet ging halen, betekent dan ook niet dat hij meedeelde dat hij een fatale termijn niet ging halen en dus wanprestatie zou leveren. De koper heeft immers niet gezegd dat hij ook na 31 december de koopovereenkomst niet zou gaan nakomen.

 

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat dit oordeel juist is. Nu 31 december geen fatale termijn was en de koper niet in gebreke was gesteld, kon hij het pand nog na 31 december afnemen, zonder dat hij als gevolg van niet tijdig presteren in verzuim zou geraken.

 

Moraal van dit verhaal: ook als er staat dat iemand iets uiterlijk op een bepaalde datum moet doen, moet in gebreke worden gesteld.

Dat is alleen anders indien in de overeenkomst met zoveel woorden staat dat een datum een fatale datum is of is gesteld dat de koper door overschrijding van de termijn in verzuim zal zijn.

 

De door de rechtbank gevolgde gedachte dat het woord “uiterlijk” duidt op een fatale termijn, een gedachte die vaker voorkomt, is in elk geval niet juist!

 

HR 31 januari 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2020:141

 

Door: Rikkert Hoekstra