Actualiteiten

Gaashek

Tussen een tweetal percelen bevindt zich een gaashek en er stond brem. In het najaar van 2005 is dat gaashek weggehaald en door de buurman vervangen door een nieuwe omheining. Deze bestaat uit palen met draad. Deze afscheiding staat niet op de kadastrale grens: de omheining is over een lengte van 90 meter 2 tot 1 meter westelijk van de kadastrale grens geplaatst, waardoor een strook grond met een oppervlakte van 150m2 tussen de omheining en de kadastrale grens is komen te liggen. Later in 2005 heeft de huidige eigenaar het perceel gekocht met de strook grond tussen de omheining en de kadastrale grens. De nieuwe eigenaar heeft in 2013 het perceel door een landmeter laten uitmeten, die tot de bevinding kwam dat de omheining niet op de kadastrale grens stond en dat de strook grond er eigenlijk ook bij hoorde. Vanaf het najaar van 2015 heeft de nieuwe eigenaar zijn buurman gesommeerd om de omheining te verplaatsen. Begin 2016 stelt deze zich op het standpunt dat hij de grond als bezitter te goeder trouw in eigendom had gekregen, en nu de verjaringstermijn van tien jaar inmiddels verstreken was.

 

De rechtbank overwoog dat de buurman vanaf eind 2005 tot en met eind 2015 als bezitter te goeder trouw had te gelden. De goeder trouw wordt bepaald op moment van verkrijging, eind 2005. Dat de buurman binnen tien jaar na de inbezitneming erop is gewezen waar de werkelijke grens liep, maar niet dat hij alsnog niet te goeder trouw was.

 

De rechtbank overwoog dat vaststond dat de huidige omheining met toestemming en in aanwezigheid van de oude eigenaar was geplaatst, die later in 2005 zijn perceel had doorverkocht. Daarom mocht de buurman in de veronderstelling verkeren dat de omheining op de erfgrens was geplaatst. Uit het feit dat uit de kadastrale kaart bleek dat de kadastrale grens ergens anders liep dan waarop de omheining werd geplaatst, kan niet worden afgeleid dat de buurman niet te goeder trouw was. Immers, een kadastrale kaart kan niet worden beschouwd als een weergave van de exacte ligging van de perceelgrens.

 

Het hof denkt daar anders over. Het hof stelt vast dat in hoger beroep niet meer ter discussie staat dat de plaats van het oude gaashek dat in 2005 was weggehaald, als de toenmalige grens van der percelen kan worden beschouwd. Betekent een afwijkende plaats van de nieuwe omheining dat de buurman bezit te goeder trouw heeft gekregen? Het hof oordeelt van niet: het is niet juist dat de buurman enkel vanwege het uitblijven van bezwaar en protest van de zijde van de oude eigenaar die zijn grond had verkocht, zou hebben mogen aannemen dat de erfgrens onder de nieuwe omheining liep. Immers, de buurman kende de  plaats van het oude hek: de buurman had dit gaashek immers zelf verwijderd. De buurman mocht van een niet op dezelfde plaats opgerichte omheining niet aannemen dat deze op de erfgrens was geplaatst. Hij werd dus ook geen bezitter te goeder trouw. Een enkel gedogen door de verkopende, oude eigenaar van een afwijkende plaatsing van de nieuwe omheining leidt nog niet tot inbezitneming van de extra strook grond door de buurman. Integendeel. Het gedogen door de verkopende eigenaar leidt slechts tot houderschap van de buurman: hij was dus geen bezitter omdat de verkopende eigenaar de plaatsing van het hek had goed gevonden. Iemand die een strook grond afpaalt waarvan de eigenaar het goed vindt dat deze strook grond wordt afgepaald, wordt houder van die grond, geen eigenaar. Voor bezit is vereist dat er inbreuk wordt gemaakt op het recht van eigendom, maar als de eigenaar de handeling van het plaatsen van de omheining op zijn grond heeft goedgevonden, dan levert die handeling geen inbreuk op. Dan is er geen – per definitie: onrechtmatige - inbezitneming. Zonder inbezitneming geen bezit.

 

Dit betekent dat de buurman die de omheining had geplaatst alsnog de omheining dient te verwijderen.

 

Deze uitspraak is interessant:

-     De rechtbank leidt uit het feit dat er geen protest kwam of dat de grensoverschrijdende buurman te goeder trouw was;

-     Het hof leidt uit het feit dat er geen bezwaar kwam van de zijde van de verkopende, oude eigenaar, dat deze de handeling van de grensoverschrijdende buurman goed vond, zodat er geen – per definitie – wederrechtelijke inbezitneming had plaatsgevonden.

Het oordeel van het hof lijkt ons juist. Het achterliggende idee dat het hof zal hebben dat het grens overschrijden niet gemakkelijk behoort te kunnen leiden tot eigendomsverkrijging.

 

Ook het hof Den Haag stelt in een uitspraak d.d. 16 juni 2020 hoge eisen aan ‘bezit’ (ECLI:NL:GHDHA:2020:999). Hij oordeelt dat de gestelde omstandigheden (de piketpaaltjes, het planten van de Leylandiihaag, de aanleg van beschoeiing, de beweerde opslag goederen en het uitgevoerde tuinonderhoud) onvoldoende zijn – apart en in onderlinge samenhang gezien – voor de conclusie dat de Strook feitelijk bij Perceel 19 was getrokken en door de eigenaars/bewoners van dit perceel als hun eigendom werd beschouwd én dat dit voor de eigenaars/bewoners van Perceel 17 als zodanig kenbaar was.

 

Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2020:1525

 

Door Rikkert Hoekstra