Actualiteiten

Garantie is borgtocht

De Gemeente Eindhoven geeft tezamen met een aantal andere gemeenten na een aanbesteding een opdracht aan een taxivervoersbedrijf. Dat bedrijf gaat failliet. Vervolgens geven de gemeenten de opdracht aan een reserve-bedrijf dat ook al in de aanbesteding voor een dergelijk geval was geselecteerd.

 

In de overeenkomst met de taxivervoerder was door de moedervennootschap een verklaring ondertekend, inhoudend dat deze zich volledig en onvoorwaardelijk garant stelde voor de nakoming van de verplichtingen van de dochter-taxivervoerder. De moeder stelt dat zij voor de schadelijke gevolgen, bestaande in het verschil in prijs tussen de taxivervoerder en het reserve-bedrijf, niet aansprakelijk is omdat zij bereid was om de verplichtingen van haar dochter na te komen, althans zij wilde dit door een ander (dochter-)bedrijf laten doen.

 

De rechtbank oordeelt dat de uitleg die de moeder geeft niet voor de hand ligt omdat het aanbestedingsrecht, zoals dat bestond in 2013, niet toestond dat in een faillissementssituatie de contractpositie zonder meer zou overgedragen aan een derde, de moedervennootschap. Voor die situatie was in de aanbesteding ook al een reserve-bedrijf aangewezen. De garantieverklaring moet volgens de rechtbank dan ook aldus worden begrepen dat de moeder, lopende de uitvoering van de vervoersovereenkomst door de taxivervoerder al het mogelijke moest doen om te bereiken dat deze haar verplichtingen deugdelijk zou nakomen. Vanwege het faillissement was de looptijd van het contract niet erg lang en kon de gemeente dus onder de garantie niet veel claimen.

 

Het hof denkt daar anders over. De moeder heeft zich tegenover de gemeente verbonden voor de nakoming door de dochter: dat is een overeenkomst van borgtocht in de zin van artikel 7:850 BW. Op grond van artikel 7:854 BW geldt dat, indien de verbintenis van de hoofdschuldenaar strekt tot iets anders dan tot betaling van een geldsom, in dit geval tot het verrichten van persoonsvervoer, de borgtocht geldt voor de schadevordering in geld, verschuldigd op grond van niet-nakoming van die verbintenis. Dat betekent dat de moeder moet opdraaien voor het prijsverschil tussen de aanbiedingen van de dochter-taxivervoerder en het reservebedrijf over de gehele restant-looptijd van het contract. Dit geldt tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen, maar dat was niet het geval.

 

Het hof oordeelt verder dat de schade ook moet worden berekend over de mogelijke verlengingsperiode van het contract. Indien de taxiververvoerder de overeenkomst correct zou zijn nagekomen, valt in beginsel niet in te zien waarom de gemeenten geen gebruik zouden hebben gemaakt van hun eenzijdige verlengingsoptie. Weliswaar was de financiële positie van de taxivervoerder slecht en dat had bij de beslissing van de gemeenten misschien ook wel een rol kunnen spelen, maar op grond van die omstandigheid kan niet worden uitgesloten dat de gemeenten het contract zouden hebben verlengd.

 

In beginsel hebben de gemeenten daarmee hun schade voldoende aannemelijk gemaakt om te worden toegelaten tot een schadestaatprocedure, waarin de schade verder zal worden begroot.

 

Opmerking: het komt vaker voor dat in overeenkomsten het woord “garantie” wordt gebruikt, terwijl het in werkelijkheid gaat om een borgtocht. Dit arrest leert dat indien het gaat om een borgtocht, in principe schadevergoeding in geld moet worden betaald. Als het zou zijn gegaan om een werkelijke garantie, dan had in dit geval de moedervennootschap het contract zelf kunnen uitvoeren ofwel door een derde kunnen laten uitvoeren (hetgeen zij in feite had aangeboden).

 

Hof Den Bosch 17 september 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2019:3434

 

Door Rikkert Hoekstra