Actualiteiten

Geen vergoeding directe planschade bij wegvallen tijdelijk voordeel

In een uitspraak van 4 december 2019 heeft de Afdeling overwogen dat voor de vergoeding van nadeel dat uitsluitend bestaat uit het wegvallen van een tijdelijk voordeel geen aanleiding bestaat. De Afdeling heeft dit al eerder overwogen ten aanzien van gevallen van indirecte planschade. Uit deze uitspraak blijkt dat hetzelfde uitgangspunt geldt ten aanzien van directe planschade.

 

Een man uit Lichtenvoorde werd op 1 april 1980 bij wege van nalatenschap eigenaar van een perceel met een woning. Hij heeft op 11 januari 2016 een planschadeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre, in verband met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Woonwijken Lichtenvoorde” op 6 december 2013 waarbij de mogelijkheid om een vrijstaande woning op het perceel te bouwen was komen te vervallen.

 

Het college won het voorgeschreven deskundigenadvies in. De deskundige adviseerde het college om 20 procent van de schade voor rekening van de verzoeker te laten en de rest van de door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan geleden schade te vergoeden. Het college besloot in afwijking van dit advies om het planschadeverzoek af te wijzen. Het college legde daaraan ten grondslag dat bij de aankoop dan wel bij de verkrijging van het perceel geen rekening is gehouden met de bouwmogelijkheden die zijn wegbestemd.

 

De rechtbank oordeelde dat het college het verzoek ten onrechte had afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij dat de uitspraak waar het college naar had verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt (ABRvS, 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8882) uitsluitend betrekking had op indirecte schade. Volgens de rechtbank geldt voor directe planschade een ander kader.

 

In hoger beroep voerde het college aan dat de rechtbank dat standpunt ten onrechte had ingenomen. Volgens het college viel niet in te zien waarom de aangehaalde jurisprudentie niet van toepassing zou zijn op gevallen van directe planschade.

 

De Afdeling overweegt (r.o. 6.2) dat niet in geschil is dat het nadeel voor de verzoeker uitsluitend bestaat uit het wegvallen van een tijdelijk voordeel. De Afdeling oordeelt dat schade die uit een dergelijk tijdelijk voordeel voortvloeit, in dit geval redelijkerwijs voor rekening van de eigenaar moet blijven. Aan een van de zijde van de deskundige van het college ingeroepen uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:737) komt volgens de Afdeling geen betekenis toe, omdat in die zaak een compensatie voor de verzoeker aan de orde was.

 

In de zaak die leidde tot de uitspraak van 5 maart 2014 was sprake van een planschadeverzoek naar aanleiding van een planwijziging die het voor de buren van de verzoeker mogelijk maakte om een tweede woning te bouwen. Dat verzoek werd afgewezen omdat tegenover het nadeel het voordeel stond dat hij zelf ook een tweede woning mocht bouwen. De verzoeker had volgens de Afdeling dat laatste voordeel echter niet kunnen verzilveren (de Afdeling oordeelde ook dat geen sprake was van passieve risicoaanvaarding), zodat hij ten opzichte van het moment van aankoop van het perceel in een slechtere positie verkeerde.

 

Op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie is er alleen sprake van passieve risicoaanvaarding als er voorzienbaarheid is en er in het verleden geen stappen zijn ondernomen tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen.

 

De Afdeling overweegt in de uitspraak van 4 december 2019 dat het enkele feit dat sprake is van het wegvallen van een tijdelijk voordeel maakt dat er geen grond is om de daaruit voortvloeiende schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Aan de voorzienbaarheid wordt nadrukkelijk niet toegekomen.

 

Het is de eerste keer dat de Afdeling dit zo expliciet overweegt. Een belangrijke uitspraak voor de planschadepraktijk dus.

 

ABRvS 4 december 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:4086

 

Door Ad Schreijenberg