Actualiteiten

Gelijk speelveld tijdens uitvoering zorgtaken

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en Jeugdwet (Jw) zijn inmiddels een flink aantal jaren in werking. Voor de uitvoering van deze wetten zijn door gemeenten vele overeenkomsten met zorgaanbieders gesloten. In de meeste gevallen verloopt de uitvoering van deze overeenkomsten naar tevredenheid. Helaas pakt het soms ook heel anders uit en dan dient de gemeente zorgvuldig te werk te gaan. Uit een recent arrest blijkt dat dit geen sinecure is en dat de gemeente daarbij aan kan lopen tegen bewijsvermoedens en schadeplichtigheid.

 

Eind 2014 sloot de gemeente Zutphen, samen met enkele andere gemeenten, raamovereenkomsten met De Verborgen Kracht (hierna: DVK). In deze overeenkomsten was geen doorverwijzingsplicht en/of -minimum opgenomen. Begin 2016 opent DVK tevens een vestiging voor het verlenen van jeugdhulp in Zutphen. Vervolgens worden er door de gemeente in dat jaar 21 zorgbehoevende jeugdigen naar DVK doorverwezen. Na overleg worden tevens een aantal verbeterafspraken tussen partijen overeengekomen.

 

Eind 2016 vindt een incident plaats binnen de vestiging van DVK te Zutphen, waarbij een jeugdige tijdelijk in een zogenaamde time out kamer wordt opgesloten. DVK maakt hiervan in strijd met haar eigen protocol geen melding. De vader klaagt over dit incident bij het CJG van de gemeente, waarna dit incident in februari 2017 aan de orde wordt gesteld in een gesprek met DVK. In dat gesprek deelt de medewerker van het CJG tevens aan DVK mee dat er meer klachten zijn binnengekomen, dat de gemeente daarna onderzoek gaat doen en dat er twijfels waren om nieuwe cliënten naar DVK door te verwijzen. In de daarop volgende correspondentie wordt verduidelijkt dat de gemeente ten aanzien van het incident de Inspectie Jeugdzorg inschakelt, en de gemeente zelf onderzoek zou doen naar de professionaliteit en samenwerking van DVK, alsmede naar ‘aanwijzingen van een verschil tussen geleverde zorg en gedeclareerde zorg’. De gemeente heeft gedurende dat onderzoek geen nieuwe cliënten naar DVK verwezen en indicatieverlengingen voor bestaande cliënten voor kortere duur verstrekt. In april 2017 laat de gemeente DVK weten dat er onvoldoende redenen zijn gevonden om de samenwerking te beëindigen, maar dat er wel de verbeteringen in de samenwerking nodig zijn.

 

DVK start enkele maanden later een kort gedingprocedure, waarin zij vorderde dat de gemeente 1) op straffe van een dwangsom ‘alle beperkende maatregelen tegen DVK in zou trekken en op reguliere wijze ruimhartig en correct zou door verwijzen’ alsmede 2) een bedrag aan schadevergoeding aan de DVK zou worden toegekend. De eerste vordering werd eind 2017 toegewezen. Tegen dit oordeel kwam de gemeente in hoger beroep: het hof stelde de gemeente eind juli 2018 grotendeels in het ongelijk, maar gaf de veroordeling wel anders vorm (ECLI:NL:GHARL:2018:6984).

 

In juli 2018 heeft DVK de gemeente bij deurwaardersexploot bevolen om ruim € 100.000,- aan dwangsommen wegens vier vermeende schendingen van het kortgedingvonnis (van de rechtbank) te voldoen. De gemeente start tegen dat exploot een executiegeschil. De kort gedingrechter oordeelt in september 2018 dat aannemelijk is dat, de gemeente in ieder geval in twee gevallen in strijd met het kort gedingvonnis heeft gehandeld en dus twee keer de dwangsom van € 25.000,- heeft verbeurd (ECLI:NL:RBGEL:2018:3844).

 

Eind 2018 zegt DVK de gemeente opnieuw aan dat zij dwangsommen op basis van het kort gedingvonnis (van het hof) zou hebben verbeurd. De gemeente voldoet deze dwangsommen onder protest en start een tweede executiegeschil. In die procedure wordt in maart 2019 geoordeeld dat de gemeente waarschijnlijk wel aan de veroordeling tot het doorverwijzen van nieuwe cliënten heeft voldaan (ECLI:NL:RBGEL:2019:998).

 

In juni 2019 brengt DVK een derde deurwaardersexploot uit aan de gemeente, waarin zij opnieuw verbeurde dwangsommen aanzegt. De gemeente start een derde executiegeschil, die ertoe leidt dat DVK wordt verboden om de vermeende dwangsommen in het derde exploot te incasseren.

 

In de tussentijd is DVK een bodemprocedure tot verhaal van de volgens haar geleden schade gestart. In die procedure heeft de rechtbank in januari 2019 geoordeeld dat, de gemeente onrechtmatig jegens DVK heeft gehandeld door niet (voldoende) cliënten door te verwijzen en/of indicaties te verlengen voor door DVK te verlenen zorg en daardoor geen gelijke kansen voor DVK heeft gecreëerd als voor andere zorgaanbieders. De rechtbank acht de gemeente dan ook aansprakelijk en veroordeelt de gemeente tot betaling van een nader te bepalen bedrag aan schadevergoeding.

 

De Zorgregio, waarvan de gemeente deel uitmaakt, verlengt per 1 januari 2019 de raamovereenkomsten met DVK, maar ontbindt deze vervolgens per 1 juli 2019. Daarna heeft DVK haar onderneming gestaakt.

 

In een recent arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt geoordeeld in beide executiegeschillen alsmede in de bodemprocedure. Het hof oordeelt in een zeer uitvoerig arrest als volgt:

-     het was niet onbegrijpelijk noch onacceptabel dat de gemeente onderzoek heeft laten instellen naar het incident en dat onderzoek heeft toevertrouwd aan de Inspectie Jeugdzorg;

-     de maatregel om hangende het onderzoek naar het incident de indicaties van cliënten van DVK voor beperkte duur te verlengen, is niet onrechtmatig;

-     DVK heeft niet bewezen dat gedurende het onderzoek naar het incident personen in aanmerking kwamen voor een doorverwijzing naar DVK;

-     niet onrechtmatig is dat de gemeente een aantal ouders/verzorgers van cliënten van DVK heeft bericht over het onderzoek en naar 20 ouders/verzorgers een rectificatiebrief heeft verzonden;

-     na afronding van het onderzoek was de gemeente weer gehouden om DVK op gelijk voet met andere jeugdzorgverleners te behandelen in die zin dat DVK niet is achtergesteld door geen of aanzienlijk minder nieuwe cliënten door verwezen te krijgen. Een en ander met inachtneming van de keuzevrijheid van de (ouders/verzorgers van) de jeugdige cliënten;

-     omdat DVK schadevergoeding en/of verbeurte van dwangsommen vordert, rust op haar stel- en bewijsplicht dat de gemeente DVK niet gelijk zou hebben behandeld na 13 april 2017. Op de gemeente rust de verplichting om haar betwisting zodanig voldoende te motiveren dat DVK daarin aanknopingspunten kan vinden voor haar bewijslevering. In dit kader oordeelt het hof:

  - de gemeente heeft in de bodemprocedure een vergelijkingsoverzicht van nieuwe en verlengde verwijzingen naar DVK en drie andere, geanonimiseerde zorgaanbieders binnen de Zorgregio overgelegd. DVK heeft aangevoerd dat zij de gegevens in dit overzicht niet kan controleren en dus niet weet of het vergelijkbare aanbieders betreft, waar zij gevestigd zijn en/of welke zorgproducten zij aanbieden;

  - mede omdat DVK tevens aanvoert dat het aantal verwijzingen is verdubbeld, neemt het hof het vermoeden aan dat de gemeente na afloop van het onderzoek naar het incident nauwelijks of geen nieuwe indicatiestellingen meer aan DVK heeft willen gunnen;

  - de gemeente wordt de gelegenheid geboden om dit vermoeden door tegenbewijs te ontzenuwen. Daarvoor dient de gemeente een gedetailleerd en controleerbaar verwijzingsoverzicht over de periode 2016 tot juli 2019 in het geding te brengen. Hierin dient de gemeente in ieder geval de vestigingsplaats, het zorgaanbod en de aantallen van de te noemen zorgaanbieders in relatie tot de budgetten en uitgaven van de gemeente weer te geven;

  - mogelijk dat het hof daarna een deskundige zal aanstellen om te bekijken of de verantwoording voldoende aanknopingspunten biedt voor bewijslevering door DVK;

-     de gemeente heeft in ieder geval drie dwangsommen verbeurd;

-     of de gemeente voor het overige dwangsommen heeft verbeurd, zal nader worden beoordeeld nadat de gemeente het tegenbewijs in de bodemprocedure heeft geleverd.

Of cassatie van het oordeel van het hof wordt ingesteld en, zo niet, wat de uitkomst van de nadere bewijslevering zal zijn, blijft voorlopig ongewis.

 

Duidelijk is inmiddels wel dat gemeenten zich in een lastige positie bevinden indien zij twijfels hebben over de kwaliteit van geleverde zorg op grond van de Wmo 2015 en/of de Jw. Zij zullen in een dergelijk geval zowel onderzoek naar de kwaliteit en omvang van de geleverde zorg moeten doen en toch een gelijk speelveld voor alle gecontracteerde zorgverleners dienen te behouden. Gedurende het onderzoek bestaat er wel enige ruimte om in het belang van de cliënten in te grijpen in het speelveld, maar daarna – terecht - niet meer. Als dan toch de indruk ontstaat dat een gemeente invloed heeft gehad, dan ontstaat het risico dat zij het bewijs van het tegendeel moeten leveren en/of dat zij een aanzienlijke schadevergoeding dient uit te keren.

 

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:4199

 

Door Anouk Broekman-de Feijter