Actualiteiten

Gronden voor intrekking?

Aanbesteding. Beslissing tot intrekking van de aanbestedingsprocedure. Mondeling arrest in spoed kort geding

 

In de aanbestedingsstukken heeft de Haagse Tramweg Maatschappij (HTM) zich het recht voorbehouden om in elk stadium van de procedure de overeenkomst uiteindelijk niet te gunnen en om de procedure te mogen beëindigen. HTM maakt van die mogelijkheid gebruik omdat er beschuldigingen zijn geweest, naar aanleiding waarvan een extern onderzoeksbureau een rapport heeft uitgebracht. Uit het onderzoek zijn geen bevindingen bekend geworden die er op wijzen dat er bij de beoordeling van de inschrijvingen en de gunning van het nieuwe contract sprake is geweest van belangenverstrengeling. Wel werd bekend dat er bij de voorbereiding van het aanbestedingsproces sprake was van beïnvloeding en belangenverstrengeling. HTM kan daarom niet uitsluiten dat bij die voorbereiding de aanbestedingsvoorwaarden zijn beïnvloed. HTM kan niet langer garanderen dat alle fasen van de aanbesteding transparant en non-discriminatoir zijn verlopen. Een transparante en non-discriminatoire afronding van de aanbesteding kan dan ook niet worden gegarandeerd door uitsluitend een herbeoordeling van de inschrijvingen. Daarom gaat HTM over tot intrekking.

 

Een inschrijver komt daartegen op, stellend dat de omstandigheid dat niet een dergelijke garantie kan worden gegeven, nog geen reden voor intrekking kan zijn. Het staat immers niet vast dat de belangenverstrengeling en beïnvloeding de mededinging daadwerkelijk heeft aangetast.

 

Het hof in Den Haag oordeelt dat dit niet juist is: dat een en ander niet kan worden gegarandeerd, is voldoende reden voor de intrekking. Deze beslissing is ook niet disproportioneel; HTM hoeft niet te volstaan met een herbeoordeling of uitsluiting van slechts één inschrijver, want dat zou naleving van het gelijkheids- en transparantiebeginsel onvoldoende waarborgen.

 

Meer in detail was er het volgende aan de hand. Het onderzoek door Hofman Bedrijfsrecherche heeft aan het licht gebracht dat een medewerker van HTM met een directeur van een inschrijver in relatie tot de aanbesteding van beveiligingsdiensten weer eens een uurtje heeft bijgepraat. Deze medewerker heeft gezegd onhandig te hebben geopereerd door informatie met betrekking tot deze beveiligingsdiensten te hebben terug gekoppeld. Weliswaar had betrokkene niet inhoudelijk over de aanbesteding met de directeur van de inschrijver gesproken, maar slechts over de procedure van de aanbesteding, maar dat is voldoende voor de intrekking. Het hof oordeelt dat het feit dat de medewerker van HTM tijdens de voorbereiding contact heeft gehad met potentiële inschrijvers op een wijze waarmee hij de door HTM opgestelde regels die gelden in de aanbesteding, had overtreden. Het kan zijn dat er bewust of onbewust een beïnvloeding van eisen of voorwaarden heeft plaatsgevonden en daarmee zou er een schending van het non-discriminatie- en het transparantiebeginsel kunnen zijn. De belangenverstrengeling en beïnvloeding tijdens de voorbereiding kan daarmee niet door de beugel. Misschien, aldus het hof, betrof het contact met de directeur de lopende opdracht, maar het spreken over de beveiligingsdiensten kan de eisen of voorwaarden beïnvloeden en er is bovendien ook over het aanbestedingsproces informatie verstrekt.

 

Daarom wordt de vordering van de inschrijver wier directeur met de medewerker van HTM had gesproken, afgewezen.         

 

Opmerkelijk is overigens nog dat het vonnis in eerste aanleg was uitgesproken op 10 april 2019 en dat het mondeling uitgesproken arrest van het hof dateert van 28 mei 2018: er kan dus wel behoorlijk snel worden geprocedeerd!

 

Hof Den Haag 28 mei 2019, www.rechtspraak.nl; ECLI:NL:GHDHA:2019:1318

 

Door Rikkert Hoekstra