Actualiteiten

“Integrale kostprijs”

De gemeente Hellevoetsluis verhuurt ligplaatsen in een jachthaven. Op grond van de Wet Markt en Overheid, opgenomen in artikel 25i van het Mededingingswet moet de gemeente bij de bepaling van de verhuurprijs ten minste de integrale kosten in rekening brengen. Bij de bepaling van deze kosten moet ook rekening worden gehouden met de kosten het ter beschikking stellen van de jachthaven: over het vermogen dat die jachthaven vertegenwoordigt moeten rente- of vermogenskosten worden berekend.

 

Een concurrerende  jachthaven klaagt bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) dat de gemeente niet aan haar wettelijke verplichting voldoet.

 

De ACM stelt een overtreding vast en neemt tegen de gemeente een handhavingsbesluit. Het gaat om twee aspecten: de toerekening van de kosten en de bepaling van het vermogenskostenpercentage.

 

De ACM stelt vast dat een deel van de kosten deels worden gemaakt voor ondersteuning van de havenactiviteiten en deels voor publieke functies; geen van die functies is dominant, zoals 50% van de kosten in de integrale kostprijs van de gemeentelijke havenactiviteiten moet worden meegenomen. Met deze havenactiviteiten concurreert de gemeente met de concurrerende private jachthaven. Deze benadering volgt uit artikel 8 van het Besluit markt en overheid. Dit artikel bepaalt dat kosten van productiemiddelen die gedeeltelijk worden aangewend voor de economische activiteit, naar rato van het gebruik van die productiemiddelen dienen te worden toegerekend aan die activiteit.

 

Over de vermogenskosten is in artikel 25i, lid 3, bepaald dat kort gezegd de in het handelsverkeer gebruikelijke vermogenskosten moeten worden bepaald. De taxateur concludeert dat de vermogenswaarde van het jachthaven water €15,- per m2 bedraagt, waarbij hij, rekening houdend met een vergoeding voor het eigen vermogen, uitgaat van een vermogenskostenpercentage van 10,5%. In bezwaar neemt de ACM deze benadering over.

De rechtbank oordeelt dat de ACM een en ander terecht heeft vastgesteld.

 

Het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis gaat in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Betoogd wordt dat de toedeling van 50% niet juist zou zijn, omdat het oordeel van de rechtbank zou betekenen dat de kosten van alle kades, bruggen en sluizen die boten gebruiken om de jachthaven te bereiken, alsmede de toegangswegen naar de havens als kosten zouden moeten worden meegerekend. Dat kan niet de bedoeling zijn, vinden B&W.

 

Het College van Beroep overweegt dat de integrale kosten moeten worden berekend aan de hand van het kostenveroorzakingsbeginsel. In dit geval zijn de ligplaatsen in boxen gelegen binnen de bestaande omgeving van de haveninfrastuctuur, waaronder kades, bruggen etc. Verhuur van die ligplaatsen is zodoende mogelijk vanwege die haveninfrastructuur. De ACM heeft deze infrastructuur om die reden kunnen aanmerken als productiemiddel ten behoeve van de economische activiteit “verhuren van ligplaatsen”. Het is dan ook juist dat kosten die worden gemaakt om de infrastructuur in stand te houden gedeeltelijk worden toegerekend aan de economische activiteit ‘ter beschikking stellen ligplaatsen’.

 

Dat die infrastructuur al van oudsher aanwezig is en in stand wordt gehouden in verband met het publieke belang, maakt niet dat die infrastructuur voor de havenactiviteiten geen productiemiddel is. Kosten van infrastructuur voor zover toe te rekenen aan een economische activiteit, kunnen zich ook voordoen bij privaten partijen. Dat die infrastructuur een publieke functie heeft -waaronder verkeersafwikkeling, waterkering en waterhuishouding- maakt dat de kosten gedeeltelijk niet kunnen worden toegerekend. Onvoldoende is onderbouwd dat het gehanteerde percentage van 50% niet juist is.

 

De ACM voert aan dat het in artikel 7 van het Besluit van markt en overheid bepaalde generieke rente- c.q. vermogenskostenpercentage van de gemeente van in het geval van Hellevoetsluis 4,25%, niet de aard en de risico’s van de exploitatie van het havenwater reflecteert. Dit, omdat de waarde daarvan is berekend door gebruik te maken van een veel hoger vermogenskostenpercentage. Er wordt uitgegaan van een bepaald risicoprofiel, waaraan een disconteringsvoet wordt verbonden opdat de vermogensverschaffer het gewenste rendement kan afwegen tegen het risico dat hij loopt. Het gehanteerde vermogenskostenpercentage volgt per definitie uit de taxatie.

Het College van Beroep overweegt dat uit artikel 7 van het besluit Markt en Overheid volgt dat voor de bepaling van het vermogenskosten gebruik kan worden gemaakt van de omslagrente. De vermogenskosten kunnen echter ook worden bepaald door middel van de WACC-formule (Weighted Average Cost of Capital). Dat op basis daarvan een vermogenskostenpercentage van 10,5% kan worden bepaald, heeft de ACM op inzichtelijke wijze afgeleid uit het taxatierapport, aldus het College. Dit percentage doet recht aan de relatief hoge risico’s die de exploitatie van het jachthaven met zich brengt.

 

In het primaire besluit was ACM overigens nog wel uitgegaan van de omslagrente van 4,25% terwijl pas in bezwaar het percentage van 10,5% is gehanteerd. Strijd met het beginsel  “reformatio in peius” –dat voorschrijft dat de beslissing in bezwaar niet slechter mag uitvallen dan het primaire besluit-, levert dat echter niet op.  Dit, omdat de totale uitkomst van de bezwaarprocedure, gelet ook op andere aspecten, niet minder gunstig uit was gevallen dan de uitkomst van het primaire besluit.

 

Het oordeel van het College van Beroep voor het bedrijfsleven luidt uiteindelijk dat de ACM terecht heeft aangenomen dat de gemeente Hellevoetsluis artikel 25i Mededingingswet heeft overtreden, zodat dienst van het handhavingsbesluit van de ACM stand houdt.

 

CBB 11 juli 2019, www.rechtspraak.nl;ECLI:NL:CBB:2019:233

 

Door Rikkert Hoekstra