Actualiteiten

Is het Zwarte Fietsenplan een toeristenfuik?

In delen van het centrum van Amsterdam is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van toeristische dienstverlening in het bestemmingsplan verboden. Tegen deze vorm van dienstverlening wordt handhavend opgetreden. Maar wanneer is nu sprake van toeristische dienstverlening en dus van een overtreding?

 

Amsterdam wordt overspoeld door toeristen. Niet zonder reden dus dat de gemeenteraad in het bestemmingsplan ”Postcodegebied 1012” een planregel heeft opgenomen die het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een toeristenwinkel of toeristische dienstverlening verbiedt.

 

De planregel in kwestie heeft al tot interessante rechtspraak geleid. Zo heeft de Afdeling op 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4173) overwogen dat de nadelige gevolgen van het gebruikswijzigingsverbod voor de Amsterdam Cheese Company onevenredig waren in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het college van burgemeester en wethouders had het verbod daarom buiten toepassing moeten laten wegens strijd met artikel 3:4 lid 2 van de Awb. Overigens stond wel vast dat deze kaaswinkel het verbod had overtreden, de Amsterdammers die warm lopen voor ronde kaasjes met bijpassende klompen zijn immers op één hand te tellen.

 

Ten aanzien van een geldautomaat is al discutabeler of die bedoeld is voor toeristisch gebruik. Toch heeft de rechtbank Amsterdam in een uitspraak van 30 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6589) overwogen dat gelet op de locatie, het gebruik van de Engelse taal (“ATM”) en het verdienmodel, in onderlinge samenhang bezien, de geldautomaat waar het in die zaak om ging toeristische dienstverlening is en dus in strijd met het bestemmingsplan.

 

De uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2020 heeft betrekking op fietsenwinkel ‘Het Zwarte Fietsenplan’. Het college had deze fietsenwinkel een last onder dwangsom opgelegd die inhoudt dat ‘Het Zwarte Fietsenplan’ de overtreding van het bestemmingsplan beëindigt en beëindigd houdt. Er werden immers onder meer fietsen aan toeristen verhuurd en dus is volgens het college sprake van toeristische dienstverlening. De rechtbank was het met het college eens.

 

In een voorlopig oordeel schetst de voorzieningenrechter van de Afdeling dat de winkel zich ook, en zelfs in overwegende mate, richt op Amsterdammers. De toeristische uitstraling van de winkel is bovendien gering, zodat de bijdrage aan de ‘toeristificatie’ ook gering is. Het bestreden besluit wordt geschorst. Het is nu wachten op de uitspraak in de hoofdzaak voor het antwoord op de vraag die in de titel van dit bericht gesteld wordt.

 

Vz. ABRvS 30 januari 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2020:316

 

Door Ad Schreijenberg