Actualiteiten

Jeugdzorg en aanbesteden

Aanbesteden in jeugdzorgland is geen sinecure. De rechtbank Amsterdam heeft onlangs de gevolgde procedure van achttien gemeenten voor de inkoop van gesloten jeugdzorg onder de loep genomen. Verder kwam in die procedure de vraag aan de orde of het aanbod in de regio van de winnende inschrijver afdoende was.

 

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van de jeugdzorg.

 

Een achttien gemeenten uit Noord-Holland en West-Friesland hebben voor de uitvoering van de (gesloten) jeugdzorg (jeugdzorgplus) raamovereenkomsten gesloten met een stichting.

Eind 2017 hadden de gemeenten de wens om een gezamenlijk inkooptraject te starten voor de jeugdzorgplus. Het inkooptraject wordt gestart met een marktverkenningsonderzoek.

 

In mei 2018 werd de selectieleidraad in de markt gezet. Daarin staat onder meer als doel beschreven dat er in 2030 geen enkele jongere meer jeugdzorgplus nodig heeft. Er wordt gebruik gemaakt van de mededingingsprocedure met onderhandelingen. Sprake is van sociale en specifieke diensten.

 

Naar aanleiding van het dialooggesprek zijn twee gegadigden, waaronder de huidige contractant, geselecteerd. Na selectie is de opdracht gegund aan de andere aanbieder dan de huidige contractant.

 

De huidige contractant start een kort geding. De eerste vraag die daarin voorligt is of de gemeenten een juiste procedure hebben gevolgd. De voorzieningenrechter concludeert dat uit de selectiedraad volgt dat het gaat om sociale en specifieke diensten. Jeugdzorgplus valt ook onder deze categorie zodat dit terecht is. De procedure die past bij deze diensten kent bepaalde vormvoorschriften maar biedt ook de nodige vrijheid. De gemeenten hebben daarom terecht betoogd dat de procedure niet van karakter is veranderd door elementen te gebruiken die formeel gezien bij andere procedures als de mededingingsprocedure met onderhandelingen of de concurrentiegerichte dialoog thuishoren. Bovendien heeft de aanbieder zonder voorbehoud ingeschreven en daarmee de spelregels geaccepteerd.

 

De tweede vraag die voorligt is of de beoordelingscommissie deskundig en objectief is. De objectiviteit zou niet zijn gewaarborgd omdat leden van de commissie bekend zijn met de huidige contractant.

Allereerst constateert de voorzieningenrechter dat de aanbieder ook hiertegen te laat is met het maken van bezwaar. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat uit niets volgt dat de commissieleden hun functies niet naar behoren vervullen. De commissieleden hoeven zelf niet in de jeugdzorg werkzaam te zijn, om deskundig te kunnen zijn. Ten slotte blijkt niet van vooringenomenheid. Dat de leden eerder met de aanbieder hebben gewerkt is onvoldoende. Bovendien heeft de contractant ondanks het voorschrift niet een geanonimiseerde inschrijving ingediend.

Het is dus haar eigen schuld.

 

De derde vraag die voorligt heeft betrekking op de inhoudelijke beoordeling. Bij de motivering van de inhoudelijke beoordeling heeft de beoordelingscommissie een vergelijk getrokken met de winnende inschrijving. Dat mag en is niet onbegrijpelijk, aldus de voorzieningenrechter. De beoordelingscommissie heeft beoordeeld naar de gestelde gunningscriteria zodat van een onjuiste beoordeling geen sprake is.

 

Ten slotte wijst de huidige contractant erop dat de gemeenten niet langer zouden kunnen voldoen aan artikel 2.6 van de Jeugdwet. Daarin is opgenomen dat zij dienen te zorgen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod.

 

Dat kunnen gemeenten niet meer omdat jongeren niet meer in de regio terecht zouden kunnen voor de gesloten jeugdzorg, zo wordt gesteld. De gemeenten hebben aangegeven dat het de bedoeling is om in 2030 geen gebruik meer te maken van gesloten jeugdzorg. In aanloop daartoe zal gebruik worden gemaakt van kleinschalige voorzieningen. De winnende inschrijver heeft aangeboden twee nieuwe locaties in de regio te openen. Bovendien zullen de gemeenten met de huidige contractant afspraken maken om de jongeren die nu gebruik maken van de voorziening hun traject af te kunnen laten maken.

 

De voorzieningenrechter begrijpt de zorgen van de huidige contractant, maar de gemeenten hebben voldoende onderzocht dat de winnende inschrijver met haar aanbieding een realistisch alternatief heeft aangeboden dat past binnen het wettelijk kader.

 

Rb Amsterdam 5 december 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBAMS:2018:8609

 

Door Ingrid van der Hoeven