Actualiteiten

Machtiging gesloten plaatsing voor zwervende minderjarige

Indien een jeugdige, die een zwervend bestaan leidt, in Nederland wordt aangetroffen, kan deze jeugdige met een machtiging in een gesloten jeugdhulpinstelling worden geplaatst.

 

Het hof Den Bosch werd, in navolging van de rechtbank Limburg, recent geconfronteerd met de vraag of een machtiging gesloten jeugdhulp kan worden verstrekt voor een jeugdige waarvan de gewone verblijfplaats als bedoeld in de Jeugdwet niet kan worden vastgesteld. Wat had zich voorgedaan?

 

De jeugdige had, zo werd duidelijk uit zijn verklaringen, zijn volledige leven een Roma-bestaan geleid, in die zin dat hij bij zijn oma van vaderszijde woonde met wie hij in een camper door Europa reisde. In mei 2017 is de jeugdige aangehouden door de politie op verdenking van betrokkenheid bij twee woninginbraken. Bij die inbraken waren verder meerderjarigen betrokken, waaronder mogelijk de broer van de jeugdige. De jeugdige is op 17 augustus 2017 veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 76 dagen (een straf conform het voorarrest).

 

Vanaf begin augustus 2017 verbleef de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Dit nadat de rechtbank Limburg de jeugdige over de periode 29 mei tot 29 augustus 2017 onder voorlopige voogdij had gesteld en een machtiging voor gesloten jeugdhulp had afgegeven.

 

De Raad voor de Kinderbescherming vraagt vervolgens een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp voor de periode 29 augustus 2017 tot 29 november 2017. Hiertegen verzet de jeugdige zich en tijdens de behandeling in de rechtbank verschijnt ook zijn in Kroatië wonende vader die aangeeft dat hij de jeugdige mee naar Kroatië wil nemen. De rechtbank wijst de verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming toe en de jeugdige gaat in hoger beroep.

 

In de tussentijd vindt overleg plaats tussen de gecertificeerde instelling en de advocaat van de jeugdige over de intenties van de vader. Dit leidt ertoe dat de gecertificeerde instelling op 16 oktober 2017 de jeugdige overdraagt aan zijn vader en zij samen afreizen naar Kroatië. De jeugdige handhaaft het ingestelde hoger beroep, stellende dat de machtiging gesloten jeugdhulp niet verleend had mogen worden.

 

Het hof komt, vanwege het zwervend bestaan van de jeugdige, tot het oordeel dat de gewone verblijfplaats van de jeugdige niet kan worden vastgesteld. Dit ondanks dat de jeugdige Kroatisch staatburger is en officieel ingeschreven stond op het adres van zijn vader. Aangezien de jeugdige zich feitelijk in Nederland bevond, acht het hof zich daarom bevoegd op basis van artikel 13 Brussel II-bis Verordening en past het Nederlandse recht toe op basis van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

 

Inhoudelijk stelt het hof vast dat er lange tijd door de vader van de jeugdige geen invulling aan het gezag is gegeven, zijn familieleden na de arrestatie langere tijd niet bereikbaar waren, de jeugdige nauwelijks onderwijs heeft gevolgd en ook eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof acht ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen daarom aanwezig. Tevens wordt hieruit, samen met de gegevens van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, geconcludeerd dat het gevaar bestond dat de jeugdige zich aan de noodzakelijk jeugdhulp zou onttrekken. Samen met het feit dat de jeugdige rechtsgeldig onder toezicht van de gecertificeerde instelling was gesteld en er een instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper was, wordt de machtiging gesloten jeugdhulp dan ook bekrachtigd. Gelet op het feit dat de jeugdige op 16 oktober 2017 door zijn vader is opgehaald, beperkt het hof de machtiging wel tot die datum in plaats van tot 29 november 2017.

 

Hof Den Bosch 2 november 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2017:4736

 

Door Anouk Broekman-de Feijter