Actualiteiten

Medewerking vaststelling zorgbehoefte

Op 16 januari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep twee uitspraken gewezen waarin de medewerking van de aanvragers van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te wensen overliet. In beide gevallen leidde dit tot een afwijzing van de aanvraag.

 

In de eerste kwestie heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal op 1 december 2015 de aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 afgewezen. Na bezwaar van de aanvrager beslist het college bij besluit van 30 november 2016 wederom afwijzend. De reden is dat het college niet heeft kunnen vaststellen of de maatwerkvoorziening nodig is, omdat de aanvrager niet wil meewerken aan een nader onderzoek naar zijn ondersteuningsbehoefte. De rechtbank Midden-Nederland heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarbij wordt overwogen dat de wel in het dossier aanwezige stukken (o.a. stukken van het Centrum Indicatiestelling Zorg uit 2012) niet volstaan. Uit die stukken kunnen de vragen van het college over de aanvraag niet beantwoordt worden en betreffende stukken zien op een andere periode, aldus de rechtbank. Tot slot stelt de rechtbank dat de aanvrager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medewerking aan het onderzoek niet van hem kan worden gevergd. Bij de Centrale Raad van Beroep betoogt de aanvrager dat het onderzoek dat het college wil laten verrichten niet nodig is en dat dit onderzoek te belastend is voor hem. De Centrale Raad is daar snel mee klaar: de aanvrager heeft geen wezenlijk nieuwe of andere gronden aangevoerd dan bij de rechtbank en de rechtbank heeft de uitspraak voldoende gemotiveerd. Aanvullend wordt overwogen dat het college in dit geval ook niet gehouden was om te bezien of het gewenste onderzoek op een voor de aanvrager op minder bezwarende wijze zou kunnen worden uitgevoerd. De aanvrager heeft namelijk zijn medewerking zonder meer geweigerd en niet geconcretiseerd waarom hij het onderzoek als zeer belastend ervaart.

 

De tweede uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreft het vervolg op een al lang lopende kwestie. De moeder van een meisje met een psychiatrische aandoening heeft zich in 2015 tot de gemeente Steenwijkerland gewend met een verzoek de lopende hulpverlening te verlengen op grond van de Jeugdwet. Het college wijst de aanvraag af en wijst daarbij naar het opgestelde gezinsplan. De moeder stelt het door het college verrichte onderzoek ter discussie in de daarop volgende procedure. De Centrale Raad komt in die procedure tot zijn inmiddels bekende uitspraak van 1 mei 2017 (ELCI:NL:CRVB:2017:1477) over de wijze waarop het onderzoek naar de zorgbehoefte dient te worden uitgevoerd:

 

“Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.”

 

De Centrale Raad droeg op grond van dit oordeel het college op een nieuw besluit te nemen, tegen welk besluit de moeder, indien gewenst, gelijk beroep bij de Centrale Raad zou kunnen instellen. Het college heeft de moeder vervolgens in twee brieven verzocht om contact op te nemen. Daarna heeft het college in een aangetekende brief en brieven aan de advocaat van de moeder uiteengezet dat medewerking nodig is aan een persoonlijk gesprek met de consulent en toestemming vereist is om contact op te nemen en informatie op te vragen bij de betrokken behandelaars/hulpverleners. De moeder is tevens uitgenodigd om op 13 juli 2017 op gesprek te komen, maar is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Het college heeft vervolgens bij besluit van 27 september 2017 de afwijzing van de aanvraag om jeugdhulp gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft de advocaat van de moeder beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, maar de moeder en haar advocaat zijn op de zitting niet verschenen. De Centrale Raad oordeelt dan dat de moeder niet de medewerking als bedoeld in artikel 8.1.2 derde lid Jeugdwet heeft verleend die redelijkerwijs nodig is, zodat de behoefte aan jeugdhulp over de periode 25 april 2015 tot 24 juni 2015 niet kan worden vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

 

CRvB 16 januari 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2019:224

CRvB 16 januari 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2019:276

 

Door Anouk Broekman-de Feijter