Actualiteiten

Oneigenlijke dwaling: toch betalen!

Voortijdige beëindiging overeenkomst tussen gemeente en aannemer. Gemeente komt geen beroep toe op finale kwijting in beëindigingsovereenkomst wegens strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur: gemeente had niet zorgvuldig in de beëindigingsovereenkomst opgenomen hoeveel aannemer nog tegoed had. Oneigenlijke dwaling. Verrekeningsverweer faalt.

 

Na een aanbesteding verleent de gemeente Capelle aan den IJssel aan een aannemer de opdracht om bepaalde reconstructiewerkzaamheden aan de riolering uit te voeren. Tijdens het werk stuit de aannemer op leidingen van de stadsverwarming die uitvoering van het werk beletten. De leidingen van de stadsverwarming stonden nergens op aangegeven en waren ook niet als ‘KLIC-melding’ geregistreerd. De stadsverwarming geeft aan dat het stookseizoen al was ingetreden, zodat de stadsverwarmingsleidingen niet konden worden omgelegd. De gemeente gaat over tot schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat als bedoeld in paragraaf 14 van de UAV. Partijen stellen een beëindigings- c.q. vaststellingsovereenkomst op, waarin onder meer staat dat de gemeente een bedrag moet betalen van circa € 700.000,-.

 

Stellend dat het hier ging om een vergissing vordert de aannemer een bedrag van € 1.150.000,-. De gemeente voert aan dat aan het slot van de door beide partijen ondertekende overeenkomst de verklaring van beide partijen is opgenomen dat men na betaling van het bedrag van circa € 700.000,- over en weer niets meer van elkaar te vorderen heeft.

 

De rechtbank te Rotterdam wijst de vordering toe. Zij overweegt dat dwaling vereist dat wil en verklaring overeenstemmen, maar dat de wil onder een onjuiste voorstelling van zaken is gevormd. Van oneigenlijke dwaling is sprake indien tengevolge van een vergissing de verklaring niet de wil van de desbetreffende partij dekt. De wil van één der partijen was gericht op het totstandkomen van een andere overeenkomst dan die welke uit haar verklaring kon blijken; dat is wat hier aan de orde is.

 

Of er toch een overeenkomst tot stand is gekomen, hangt af van de aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen bij in dit geval de gemeente ten aanzien van de vraag of de aannemer nu werkelijk meende dat hij genoegen nam met betaling van een bedrag van circa € 700.000,-. De rechtbank stelt vast dat de beide bedragen zijn terug te vinden op termijnstaat 11: eerst is er een subtotaal van circa € 700.000,-, vervolgens volgt nog een viertal posten, zodat het totaal uiteindelijk uit komt op circa € 1.150.000,-. Er zijn getuigen gehoord. De rechtbank leest in de verklaring van de getuige die kennelijk van de kant van de gemeente als enige inhoudelijk goed op de hoogte was, dat het verkeerde bedrag in de overeenkomst terecht is gekomen. Daarom had het op de weg van de gemeente gelegen om te stellen en zonodig te bewijzen waarom de bedragen van de vier posten niet langer aan de aannemer verschuldigd zouden zijn, althans waarom de gemeente er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de aannemer instemde met het laten vervallen van deze posten. Maar dat had de gemeente niet gedaan.

 

De gemeente mag de aannemer in dit geval niet houden aan de verklaring dat de aannemer voor het overige niets van de gemeente te vorderen had. De rechtbank weegt uitdrukkelijk mee dat de overheid de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, ook in acht moet nemen bij het sluiten van privaatrechtelijke overeenkomsten. Het was niet de aannemer die de tekst van de overeenkomst had opgesteld, maar de gemeente. Het was weinig zorgvuldig dat de gemeente een veel te laag bedrag in de overeenkomst had opgenomen. De rechtbank onderschrijft de stelling van aannemer dat deze er bij het sluiten van de overeenkomst op mocht vertrouwen dat de gemeente de tekst van de overeenkomst zorgvuldig had opgesteld.

 

Kortom, een gemeente moet altijd zorgvuldig zijn!

 

Rb Rotterdam 10 april 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBROT:2019:3358

 

Door Rikkert Hoekstra