Actualiteiten

Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding

Op 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking getreden. In de meeste overheidssectoren zijn de ambtelijke aanstellingen van het personeel omgezet naar arbeidsovereenkomsten volgens burgerlijk recht. Voor deze overheidssectoren zijn er cao’s tot stand gebracht. Indien zich bij ‘genormaliseerde’ ambtenaren in de arbeidsrelatie verwikkelingen voordoen, zullen deze in het vervolg moeten worden opgelost aan de hand van het Burgerlijk Wetboek (BW) en deze cao’s. Al voor de jaarwisseling zijn er uitspraken gedaan door rechters die hun schaduw vooruit werpen voor wat betreft de te verwachten gevolgen van de normalisering.

Zo heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland op 29 november 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarin arbeidsrecht en ambtenarenrecht elkaar raakten. Een werkneemster bij het Interprovinciaal Overleg (IPO) raakte in conflict met haar werkgever. Het IPO is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de provincies leden zijn. Werkneemster was als manager werkzaam voor een uitvoeringsorganisatie van het IPO. Eén van haar projecten mislukte en mede als gevolg hiervan ontstond een gespannen relatie met haar leidinggevende. Er volgden een verbetertraject, dat voortijdig werd afgebroken, en een verzoek van het IPO aan de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit verzoek was gebaseerd op artikel 7:671b, eerste lid, BW in verbinding met primair artikel 7:669, derde lid, sub d (“ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken”), en subsidiair artikel 7:669, derde lid, sub g (“een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren”). De kantonrechter heeft het verzoek voor zover dit was gebaseerd op de d-grond afgewezen, doch het verzoek voor zover gebaseerd op de verstoorde arbeidsverhouding heeft de kantonrechter toegewezen. Voor ambtenarenrechtelijk onderlegde juristen valt op dat de kantonrechter expliciet onderzoekt of en vaststelt dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Deze overweging is ingegeven door artikel 7:669, eerste lid, BW dat onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden als verplichte stap formuleert, alvorens tot een opzegging of ontbinding kan worden overgegaan.

In de uitspraak van de kantonrechter komen vervolgens de ambtelijke rechtspositieregelingen aan de orde, die in de arbeidsovereenkomst van toepassing waren verklaard. Die regelingen voorzagen er onder andere in dat betrokkene recht heeft op een zgn. ‘aanvullende voorziening’ die naar het oordeel van het bevoegd gezag (lees: het IPO) met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten bij een ontslag op ‘andere gronden’. In het ambtenarenrecht wordt de ontslaggrond ‘op andere gronden’ regelmatig gebruikt bij een impasse in de werkrelatie, verstoorde verhoudingen, of onverenigbaarheid van karakters. De kantonrechter in deze zaak oordeelt –niet onverwacht- dat ontbinding op de g-grond kwalificeert als een ontbinding op ‘andere gronden’ als bedoeld in de ambtelijke rechtspositieregelingen die van toepassing waren. Werkneemster kwam dus in aanmerking voor een ‘aanvullende voorziening’ op grond van deze regelingen, maar daar bleef het ook bij. De kantonrechter spreekt uit dat er buiten de ambtelijke rechtspositieregelingen om slechts ruimte is voor een extra vergoeding als is voldaan aan de voorwaarden voor een zgn. ‘billijke vergoeding’. Voor een billijke vergoeding moet in de regel sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, hetgeen volgens de kantonrechter slechts kan worden aangenomen in uitzonderlijke gevallen. De kantonrechter overweegt in dit verband dat ‘ernstige verwijtbaarheid’ een duidelijk criterium moet blijven, zodat partijen een ontslag zoveel mogelijk buiten de rechter om kunnen regelen. Een te genuanceerd systeem met verschillende gradaties van verwijtbaarheid past daar niet goed bij. Het is daarom ook niet de bedoeling dat de rechter precies uitpluist in welke mate werkgever en werknemer over en weer schuld hebben aan het ontslag, aldus de kantonrechter.

 

Hiermee geeft de kantonrechter te kennen dat de wind bij ontslag van genormaliseerde ambtenaren straks waarschijnlijk uit een andere hoek zal waaien. Voor de zogenaamde CRvB-formule die de bestuursrechter hanteerde bij de toekenning van een ‘plus’ bovenop de reeds bestaande uitkeringsaanspraken, is bij ‘genormaliseerde’ ambtenaren dus geen plaats meer. Overigens is de overweging van de kantonrechter dat buiten de ambtelijke ‘aanvullende voorziening’ en de billijke vergoeding om geen ruimte meer bestaat voor een ‘extra’ inmiddels alweer achterhaald.

 

De kantonrechter oordeelde nog dat de ambtelijke rechtspositieregeling die in de arbeidsovereenkomst van de werkneemster met het IPO van toepassing was verklaard geldt als ‘gelijkwaardige voorziening’ als bedoeld in artikel 7:673b, eerste lid, BW. Dit had tot gevolg dat het IPO aan de werkneemster geen transitievergoeding verschuldigd was. Artikel 7:673b BW is met ingang van 1 januari 2020 echter ingrijpend gewijzigd, waarbij het criterium van de ‘gelijkwaardige voorziening’ is vervallen. Tegenwoordig moet een cao een bovenwettelijke uitkeringsregeling of andersoortige voorziening uitdrukkelijk in de plaats stellen van de transitievergoeding van artikel 7:673 BW om de bepalingen over de transitievergoeding effectief buiten toepassing te houden. En de crux is nu juist dat dit laatste in de recent tot stand gekomen cao’s voor overheidssectoren veelal niet is gebeurd. Er treedt bij opzegging of ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een ‘genormaliseerde’ ambtenaar wegens bijvoorbeeld verstoorde arbeidsverhoudingen in de toekomst dus wellicht toch een cumulatie van en een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, en een transitievergoeding op. De ‘plus’ van de oude CRvB-formule, die in de hoedanigheid van billijke vergoeding vaak buiten bereik zal blijven, komt via de achterdeur van de transitievergoeding dus dubbel en dwars (namelijk zonder drempel qua verwijtbaarheid èn forfaitair) in de eindafrekening terug.

Hoe dit in de praktijk allemaal zal uitpakken, moeten wij afwachten. In elk geval heeft de kantonrechter met deze uitspraak enkele onderwerpen aangestipt die de gemoederen na de normalisering van de ambtelijke rechtspositie nog wel even zullen bezighouden. Dit zal interessante jurisprudentie opleveren, waarvan wij u graag op de hoogte houden.

Rb Midden-Nederland 29 november 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2019:5931

 

Door Bas de Moor