Actualiteiten

Risico-opslag

De gemeente Vianen, althans het industrieschap dat haar rechtsvoorganger was, is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, op te maken bij staat, omdat zij in 1975 in gebreke is gebleven in de nakoming van een contractuele verplichting om terreinen te leveren. Daardoor kon een bepaalde fabriek niet uitbreiden. De schade wordt berekend op basis van de waarde van de geldstroom van de activiteit die in de uitgebreide fabriek hadden kunnen worden verricht, per 1 januari 1976. Over de contante waarde van die geldstroom moet dan ook vanaf 1 januari 1976 de wettelijke rente worden betaald.

 

Deskundigen bepalen de schade op het verschil tussen de situatie met en zonder schadeoorzaak. De waarde van de geldstroom met en zonder uitgebreide activiteit wordt contant gemaakt aan de hand van een “disconteringsvoet”. De deskundigen hebben een disconteringsvoet gehanteerd die is samengesteld uit de tijdwaarde van geld, vermeerderd met een opslag voor het risico van de onderneming. Immers, de discontering dient plaats te vinden met inachtneming van de aan de uitbreiding van de fabriek verbonden risico’s. Op 1 januari 1976 stond immers niet vast of de productie wel of niet winstgevend zou zijn. De disconteringsvoet voor de jaren 1976 tot en met 1989 is per jaar vastgesteld, maar gemiddeld bepaald op 20 procent inclusief risico-opslag.

 

Het draait er om dat deze opslag wordt gehanteerd vanwege onzekerheid, maar inmiddels is natuurlijk wel bekend wat er sinds 1976 allemaal gebeurd is. Het staat de rechter vrij om rekening te houden met de omstandigheden die zich na de peildatum hebben voorgedaan in afwijking van de omstandigheden waarvan bij de verwachting op de peildatum werd uitgegaan. Het hof stelt vast dat de deskundigen een scenario hebben bepaald voor de situatie zonder schadeoorzaak op basis van gegevens achteraf. Vanaf het perspectief van 1976 was dit scenario niet het meest aannemelijke/waarschijnlijke scenario, maar slechts één van de vele scenario’s. Het hof oordeelt daarom dat het opnemen van een risico-opslag in dit geval niet in overeenstemming is met de grondslagen van het schadevergoedingsrecht. Ook als schade wordt gekapitaliseerd naar een ver voor de uitspraak gelegen peildatum, blijft het uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk de werkelijk geleden en te leiden schade moet worden begroot. Daarbij past het niet dat de rechter slechts rekening houdt met op de peildatum bestaande verwachtingen over hetgeen de toekomst zou kunnen brengen. Dat betekent dat bij het contant maken na 1 januari 1976 van de kasstromen volgens het scenario dat zich daadwerkelijk heeft voorgedaan en het scenario zonder schadeveroorzakende gebeurtenis, geen ruimte is voor een risico-opslag voor markt-, branche en bedrijfsspecifieke risico’s. Een dergelijke risico-opslag leidt tot een te hoge disconteringsvoet, zodat de gemeente daardoor te veel schade zou moeten vergoeden. Daarom zet het hof een streep door de risico-opslag.

 

Daarop wordt de zaak voorgelegd aan de Hoge Raad. Deze oordeelt dat het hof niet verplicht was om de deskundigen of partijen nog in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het buiten beschouwing laten van de risico-opslag. Daarover was immers één stuk van het geding al een uitgebreid debat gevoerd.

 

Inhoudelijk wordt geoordeeld dat het hof voldoende en niet onjuist heeft gemotiveerd maar om het bij de schadebegroting van het rapport van de deskundigen was afgeweken.

 

Kortom, bij het berekenen van schade moet altijd zoveel mogelijk worden uitgegaan van de omstandigheden zoals deze werkelijk zich hebben voorgedaan en wordt niet “te veel” te worden gespeculeerd over risico’s die er destijds wel zijn geweest, maar waarvan inmiddels duidelijk is geworden hoe deze risico’s hebben uitgepakt. Bij schade begrotingen houd je je aan de feiten!

 

HR 30 augustus 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2019:1291

 

Door Rikkert Hoekstra