Actualiteiten

SP

De rechtbank Midden-Nederland heeft eerder, in een vonnis d.d. 22 februari 2017 geoordeeld dat de cessieovereenkomst waarbij een lid van de Socialistische Partij (SP), tevens raadslid van de gemeente Noordoostpolder zijn vergoeding sedeerde aan de SP vanwege strijd met de openbare orde nietig was.

 

Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van dit vonnis heeft de minister van Binnenlandse Zaken, destijds nog Plasterk, aan gemeenten en provincies geadviseerd de vergoeding van een raads- of statenlid over te maken op de persoonlijke bankrekening van dit raads- of statenlid.

 

Naar aanleiding daarvan heeft de provincie Noord-Holland aan SP-statenleden verzocht om hun bankgegevens door te geven. Dat wordt door de SP-statenleden geweigerd. Daarop vordert het SP-statenlid dat de rechtbank Noord-Holland de provincie zal veroordelen om de vergoedingen over te maken aan de SP.

 

De rechtbank wijst deze vordering echter af. Zij overweegt dat er in artikel 27 van de Provinciewet is bepaald dat statenleden handelen zonder last. Dat wil zeggen dat zij niet gebonden zijn aan instructies die bijvoorbeeld door een politieke partij zouden kunnen worden gegeven. Afspraken die in strijd zijn met het vrije mandaat van de volksvertegenwoordiger behoren daarom niet juridisch afdwingbaar te zijn.

 

Het statenlid heeft naar voren gebracht dat de afdracht een gift is die vrijwillig wordt gedaan en dat de akte van cessie pas na de verkiezing wordt getekend. Maar, zo overweegt de rechtbank, uit het overgelegde huishoudelijk reglement van de SP blijkt, dat de regio-conferentie het verkiezingsprogramma vaststelt en dat zij er tevens op toeziet dat de kandidaat-volksvertegenwoordigers zich schriftelijk conformeren aan de bij de SP reguliere afdrachtregeling voor volksvertegenwoordiging. Dat betekent, aldus de rechtbank, dat de afdrachtregeling niet geheel vrijwillig is. Het statenlid heeft het betoog van de provincie niet kunnen weerspreken, inhoudend dat de kandidaat-vertegenwoordigers die zich niet conformeren aan de afdrachtregeling, niet tot kandidaat worden gesteld.

 

Het gaat er ook helemaal niet om of de afdracht al dan niet vrijwillig is; het gaat erom dat toewijzing van de vordering er toe leidt dat de provincie er aan moet meewerken dat de vergoeding niet rechtstreeks aan het statenlid wordt overgemaakt. Ook de Raad van State heeft in 2009 geadviseerd dat cessieovereenkomsten afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijkheid van een volksvertegenwoordiger.

 

De rechtbank stelt vast dat het niet ongebruikelijk is, dat afspraken worden gemaakt tussen de volksvertegenwoordiger en zijn of haar partij over het afdragen van een deel van de vergoeding door de volksvertegenwoordiger aan de partij. Dat gebeurt bij verschillende politieke partijen en de heersende mening is dat dit niet leidt tot een verlies van onafhankelijkheid. Maar daar gaat het in de voorgelegde kwestie niet om; het gaat erom of de provincie verplicht kan worden mee te werken aan een overeenkomst waarbij het statenlid haar recht op de vergoeding geheel overdraagt aan de SP. De SP en het statenlid mogen onderling afspreken wat ze willen, maar door de cessie c.q. overdracht wordt een statenlid voor zijn of haar inkomen financieel afhankelijk van de partij, zoals ook een werknemer dat van zijn werkgever is. Inkomsten die vanuit de overheid rechtstreeks aan de volksvertegenwoordigers worden betaald, komen door de cessie direct toe aan de politieke partij. Dat is niet aanvaardbaar. De overheid werkt dan mee aan het bewerkstelligen van een afhankelijkheidsrelatie tussen volksvertegenwoordiger en de politieke partij. Die afhankelijkheid is in strijd met het Nederlands staatsrecht.

 

De conclusie is dat er sprake is van strijd met de openbare orde en dat de wet zich verzet tegen de vrije overdraagbaarheid van het vorderingsrecht van het statenlid. Het staat het statenlid vrij om haar vergoeding naar de SP over te maken, maar zij kan niet van de provincie verlangen dat deze de vergoeding rechtstreeks naar de SP overmaakt.

 

Wij zijn benieuwd of van deze uitspraak wel hoger beroep wordt ingesteld.

Rb Noord-Holland 18 december 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNHO:2019:10341

 

Door Rikkert Hoekstra