Actualiteiten

Stel de juiste vraag!

Bestuursorgaan heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de last - om de permanente bewoning van een recreatiewoning te staken - niet is uitgevoerd. Inschrijving in de BRP en verklaring van één van de overtreders dat zij en haar man nog steeds in de woning aanwezig zijn is onvoldoende.

 

Een echtpaar bewoont een recreatiewoning op het recreatiepark “De Poldertuin” in Moordrecht permanent. Dat is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Het college van B en W van de gemeente Zuidplas legt daarom de last op om het strijdige gebruik te staken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,-- ineens.

 

De dag na het verstrijken van de begunstigingstermijn controleert een toezichthouder op het adres van de recreatiewoning. Daar treft hij de vrouw van het echtpaar aan. Hij verklaart:

 

“de vrouw vertelde mij dat zij mevrouw [appellant B]  was en vertelde letterlijk we zijn er nog steeds omdat wij niet weten waar we heen moeten”.

 

Daarnaast blijkt het echtpaar nog steeds op het adres van de recreatiewoning ingeschreven te staan in de BRP.

 

Het college trekt op basis deze inschrijving en de verklaring de conclusie dat de last niet is uitgevoerd en de dwangsom derhalve is verbeurd. Het college besluit tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan.

 

Het echtpaar bestrijdt dat het de last niet heeft uitgevoerd. Het stelt dat het bij vrienden verblijft, maar ook wel eens in de recreatiewoning aanwezig te zijn. Het echtpaar wil in de BRP ingeschreven blijven staan om post van de overheid te kunnen blijven ontvangen. Dat betekent dat het zich alleen kan laten uitschrijven op het adres van de recreatiewoning als het een ander adres heeft. Het echtpaar heeft nog geen definitieve vervangende huisvesting en daarom staat het in de BRP nog steeds ingeschreven op het adres van de recreatiewoning.

 

De Afdeling stelt voorop dat het aan het college is om aan de hand van feiten en omstandigheden vast te stellen dat geen uitvoering aan de last is gegeven. Ze oordeelt dat het college daarin onvoldoende is geslaagd.

 

De Afdeling overweegt dat een inschrijving in de BRP op het adres van de recreatiewoning een vermoeden oplevert dat de recreatiewoning permanent wordt bewoond, maar dat dat vermoeden kan worden weerlegd door de betrokkene. De Afdeling vindt de verklaring die het echtpaar heeft gegeven voldoende aannemelijk en oordeelt dat het vermoeden voldoende is weerlegd.

 

Vervolgens oordeelt de Afdeling dat de last – om de permanente bewoning van de recreatiewoning te staken - niet betekent dat het echtpaar niet meer in de woning aanwezig mag zijn. Het mag in de woning aanwezig zijn om de woning recreatief te gebruiken. De Afdeling vindt dat het feit dat de echtgenote heeft verklaard “dat ze er nog steeds zijn” niet betekent dat zij heeft beoogd te verklaren dat ze er nog steeds permanent wonen. Daarbij vindt de Afdeling van belang dat uit het opgestelde rapport niet kan worden opgemaakt in welke context de mevrouw dit heeft verklaard. Zo blijkt uit het rapport bijvoorbeeld niet dat de verklaring een antwoord is op de vraag of zij en haar echtgenoot de recreatiewoning nog steeds permanent bewonen.

 

Deze uitspraak laat derhalve zien dat het belangrijk is bij een dergelijke controle de juiste te vragen te stellen en om dat ook duidelijk vast te leggen in een rapport.

 

ABRvS 29 mei 2019, www.rechtspraak.nl; ECLI:NL:RVS:2019:1747

 

Door Jaap IJdema