Actualiteiten

Uitzondering op formele rechtskracht last onder dwangsom

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 februari 2019 bepaalt dat in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel geen gronden mogen worden aangevoerd die ook tegen de last onder dwangsom aangevoerd hadden kunnen worden. Dat kan alleen in uitzonderingsgevallen. In haar uitspraak van 15 januari 2020 neemt de Afdeling zo’n uitzonderingsgeval aan.

 

In deze nieuwsbrief wordt de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:41) behandeld. Die uitspraak gaat over een perceel in Schalkhaar waarop een stacaravan met bijgebouw staan. De stacaravan en het bijgebouw waren geplaatst in strijd met de bouwregels die hoorden bij de dubbelbestemming die op het perceel rustte (hetgeen een overtreding van artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo opleverde). Het bijgebouw was bovendien geplaatst in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo.

 

Het college legde ter zake van deze overtredingen één last onder dwangsom op. De hoogte van de dwangsom werd bepaald op een bedrag van € 25.000,- ineens.

 

De overtreder procedeerde tegen dit besluit en voerde de last niet uit. Het college besloot daarom een nieuwe last onder dwangsom op te leggen, waarbij de dwangsom verdubbeld werd tot € 50.000,-.

 

In de procedure tegen de eerste last onder dwangsom matigde de Afdeling de hoogte van de dwangsom tot een bedrag van € 10.000,-  omdat het bedrag van € 25.000,- volgens haar niet in redelijke verhouding stond tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Aan de last lagen namelijk vier overtredingen ten grondslag, terwijl de Afdeling oordeelde dat “slechts” sprake was van twee overtredingen.

 

Tegen de tweede last onder dwangsom had de overtreder – om redenen die uit de uitspraak niet duidelijk worden – geen bezwaar gemaakt. Dat besluit had dus formele rechtskracht.

 

De overtreder voerde ook de tweede last niet uit. Het college besloot tot de invordering van de tweede verbeurde dwangsom en tegen dat besluit kwam de overtreder wel op. In die procedure betoogde de overtreder onder meer dat de dwangsom te hoog was.

 

Het college betoogde dat de last onder dwangsom formele rechtskracht had, zodat de overtreder in de procedure tegen de invorderingsbeschikking niet meer kon klagen over de hoogte van de dwangsom.

 

De Afdeling verwijst allereerst naar haar uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466). In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat, de overtreder in een procedure tegen de invorderingsbeschikking slechts bij hoge uitzondering gronden kan aanvoeren die hij ook had kunnen aanvoeren tegen de last onder dwangsom en dat zo’n uitzondering zich bijvoorbeeld kan voordoen als evident is dat geen sprake was van een overtreding en/of de betrokkene geen overtreder is.

 

Vervolgens overweegt de Afdeling dat zij in de procedure tegen de eerste last onder dwangsom heeft geoordeeld dat de dwangsom te hoog is, omdat aan deze last vier overtredingen ten grondslag lagen, terwijl volgens de Afdeling “slechts” sprake was van twee overtredingen. Ook aan de tweede last onder dwangsom lagen dezelfde vier overtredingen ten grondslag. Daarom vond de Afdeling dat een uitzondering moest worden gemaakt op de hoofdregel dat, in de procedure tegen de invorderingsbeschikking geen gronden kunnen worden aangevoerd die tegen de last onder dwangsom aangevoerd hadden kunnen worden.

 

De Afdeling matigt uiteindelijk de dwangsom tot een bedrag van € 10.000,-.

 

ABRvS 15 januari 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2020:121

 

Door Jaap IJdema