Actualiteiten

Verjaard of niet verjaard?

In een exploitatieovereenkomst verplicht de toenmalige gemeente Bleiswijk zich in 2006 onder meer tot het aanleggen van een weg, binnen een periode van een jaar na het van kracht worden van de exploitatieovereenkomst. De exploitant verplicht zich om het daar tegenoverstaande bedrag te betalen binnen één maand na rechtsgeldige toezending van de factuur door de gemeente. “Deze factuur kan eerst rechtsgeldig worden gezonden na het van kracht worden van de overeenkomst en het transport van de gronden aan de gemeente.”

 

De overeenkomst wordt van kracht en het transport van de gronden vindt plaats in 2008. Met de aanleg van de weg vlot het niet: in 2015 vindt de officiële opening van de weg plaats. De factuur wordt verzonden op 4 april 2016. De gemeente stelt zich op het standpunt dat de vordering door/na de verzending van de factuur in 2016 opeisbaar is geworden.

 

De exploitant beroept zich op verjaring: de factuur had verzonden kunnen worden in 2008, na het van kracht worden van de overeenkomst en het transport, zodat de vordering vanaf 2008 opeisbaar was en in 2013 is verjaard. In de overeenkomst staat niet dat de factuur kan worden verzonden nadat de weg is gerealiseerd.

 

Bij vonnis d.d. 3 oktober 2018 wijst de rechtbank de vordering van de gemeente toe. Zij overweegt dat het rechtsgeldig toezenden van de factuur geen opschortende voorwaarde is waarvan de vervulling leidt tot opeisbaarheid. De factuur was enkel een administratieve handeling ten behoeve van de boekhouding. Daarmee is dus het standpunt van de gemeente verworpen.

 

Is het standpunt van de ontwikkelaar juist? Partijen hebben dus afgesproken dat de exploitatiebijdrage pas opeisbaar zou zijn na het transport van de gronden, maar hebben verzuimd om éénduidig af te spreken op welk moment daarna de exploitatiebijdrage opeisbaar zou zijn. De rechtbank concludeert dat de overeenkomst een leemte heeft en vult deze in op basis van artikel 6:248 BW, redelijkheid en billijkheid. Partijen hebben niet nagedacht over het exacte moment van opeisbaarheid, omdat zij er vanuit gingen dat de gemeente op korte termijn de weg zou gaan aanleggen. Het feit is echter dat dat zeven jaar lang geduurd heeft. Enerzijds: het doel van de exploitatiebijdrage is dat de gemeenten daaruit de kosten van de aanleg van de weg kan bestrijden. Anderzijds: duidelijk is dat de exploitant de gemeente niet wilde voorfinancieren, dus pas wilde betalen nadat zij door het transport van gronden geld had ontvangen. Op grond van redelijkheid en billijkheid concludeert de rechtbank dat tussen partijen moet gelden dat de bijdrage pas opeisbaar was nadat het werk gereed was, dus pas in 2015. De exploitant had er immers ook geen belang bij om al in 2008 de bijdrage te moeten gaan betalen voor een weg die er nog niet was. Daarom wijst de rechtbank de vordering toe.

 

Het verzenden van de factuur was niet meer dan een administratieve handeling en bovendien is deze factuur niet meer, dan een mededeling dan dat nakoming van een reeds opeisbare vordering werd verlangt, aldus ook het hof.

 

Maar verder denkt het hof er anders over. Het overweegt dat, omdat de exploitant zich beroept op verjaring, de exploitant het risico heeft van de door hem verdedigde, beperkte uitleg van de overeenkomst. Volgens de gemeente immers treed de opeisbaarheid pas in door de verzending van de factuur.

 

Het hof volgt echter het standpunt van de gemeente niet: op basis van de tekst van de overeenkomst (1) moet worden geconcludeerd, dat partijen de opeisbaarheid uitsluitend afhankelijk hebben willen stellen van de levering van de grond, niet van de aanleg van de weg. Dat volgt ook uit de wijze van totstandkoming van dit artikel (2). Aanvankelijk is gesproken over een directe betaling na de totstandkoming van de overeenkomst, maar de overeenkomst is anders opgesteld om te voorkomen dat de exploitatiebijdrage moest worden betaald, voordat de exploitant aanspraak kon maken op betaling van de koopprijs van de grond. De exploitant moest wel geld hebben om te kunnen betalen, aldus de insteek. De gemeente zegt weliswaar dat de totstandkomingsgeschiedenis anders was, maar dat is onvoldoende gemotiveerd. Dus: de exploitant moest betalen op moment dat hij het geld had; het moment van betalen was niet afhankelijk van het gereed zijn van het werk.

 

Dit betekent dat er in de overeenkomst geen leemte zit: de tekst is helder. De gemeente heeft ook geen goede argumenten aangevoerd waarom partijen een ander of later moment van opeisbaarheid voor ogen zouden hebben gestaan dan het moment waarop de exploitant het geld voor zijn gronden in ontvangst nam. De door de gemeente bepleite uitleg dat zij door de verzending van de factuur het moment van de opeisbaarheid kon bepalen, behoefde de exploitant redelijkerwijs ook niet te verwachten.

 

Het betoog van de gemeente, dat zij op het meest reële moment gebruik heeft gemaakt van de gestelde bevoegdheid, om door verzending van de factuur gebruik te maken van haar bevoegdheid om tot opeising over te gaan, wordt dus verworpen op de grond dat die bevoegdheid niet bestond. Dit betekent dat de vordering al in 2013 was verjaard, zodat deze moet worden afgewezen.

 

Commentaar: Is dit beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid, zoals de gemeente had bepleit? Deze gedachte van de gemeente is te begrijpen, maar aan de andere kant: het geld dat de exploitant in 2008 beschikbaar had, was in 2016 natuurlijk al lang besteed.

 

Duidelijk is dat de gemeente pas tot verzending van de factuur is over gegaan nadat zij haar prestatie had geleverd, dus heeft gehandeld op basis van de gedachte dat zou zijn afgesproken dat de wederpartij zou moeten betalen nadat de gemeente haar prestatie had geleverd. Dat is natuurlijk vaak het geval, maar het is natuurlijk ook mogelijk om af te spreken dat er eerder betaald moet worden, zoals in dit geval op moment dat de wederpartij het geld heeft, en dat betekent dan ook dat de opeisbaarheid en daarmee de verjaringstermijn op een eerder moment is ingegaan.

 

Hof Den Haag 28 januari 2020, www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHDHA:2020:97

Door: Rikkert Hoekstra