Actualiteiten

Zoals de wetgever artikel 13b Opiumwet had bedoeld

Uit een uitspraak van 6 december 2017 blijkt een nieuwe lijn van de Afdeling waar het gaat om de bevoegdheid van de burgemeester om woningen te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Waar een link tussen de aangetroffen drugs en de woning ontbreekt, is de burgemeester niet bevoegd om de woning te sluiten. Dat is nieuw, want voorheen was het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs voldoende voor sluiting, maar sluit aan bij de bedoeling van de wetgever.

 

Toen het toepassingsbereik van artikel 13b Opiumwet verruimd werd naar onder andere woningen was de wetgever van oordeel dat het enkele aantreffen van drugs niet tot een woningsluiting kon leiden. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30515, nr. 6, p. 2) is op te tekenen:

 

“Het enkele aantreffen van drugs in een pand zonder dat er sprake is van enige  indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt werden, is niet voldoende voor het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet. Dat zal voor woningen niet anders zijn.”

 

In de Afdelingsjurisprudentie is die gedachte steeds meer verlaten. Zo werd in een uitspraak van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8430, r.o. 5.2) overwogen:

 

“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201109887/1/A3), is voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet vereist dat daadwerkelijk harddrugs in de woning zijn verhandeld. Uit het woord "daartoe" in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat de burgemeester bevoegd is een woning op grond van die bepaling te sluiten indien daarin een handelshoeveelheid drugs, die, naar hiervoor is overwogen, geacht wordt te zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, wordt aangetroffen. Gelet op de tekst van dit artikellid is voor het ontstaan van de hierin neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van harddrugs overlast heeft veroorzaakt.”

 

Die bevoegdheid is in beginsel nog steeds aanwezig, maar uit de hier besproken uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017 blijkt dat dit anders ligt als de betrokkene aannemelijk maakt dat er geen verband bestaat tussen de handelshoeveelheid softdrugs dan wel harddrugs en het pand.

 

In rechtsoverweging 5.1 heeft de Afdeling overwogen:

 

“In dit geval staat vast dat de 110 hennepstekken, zijnde een handelshoeveelheid softdrugs, aanwezig waren in het pand. Voorts is niet in geschil dat deze drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit betekent dat de burgemeester, zoals de Afdeling thans van oordeel is, in beginsel bevoegd is om artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toe te passen. Die bevoegdheid ontbreekt indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat geen verband bestaat tussen de handelshoeveelheid softdrugs dan wel harddrugs en het pand.”

 

Na een wat zwalkende koers van de Afdeling (ik wijs op de uitspraak van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3251, waarin het ontbreken van een verband tussen de drugs en de woning slechts een motiveringsgebrek opleverde) is er met deze uitspraak duidelijkheid over de consequenties van het ontbreken van een link tussen drugs en een woning. Wel werpt deze nieuwe lijn in de jurisprudentie, na de sinds 26 oktober 2016 opgeworpen drempel ten aanzien van de toepassing van artikel 4:84 Awb, nog een drempel op voor burgemeesters om woningen op grond van artikel 13b Opiumwet te sluiten. Dat is gezien het landelijke ondermijningsbeeld jammer, maar gezien de wetsgeschiedenis – waar de rechtspraak ver van verwijderd leek – begrijpelijk.

 

ABRvS 6 december 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:3339

 

Door Ad Schreijenberg