Praktijkgebieden

Ouderlijk gezag en omgang

Gezag en omgang

Ieder minderjarig kind staat onder gezag. In Nederland onderscheiden we grofweg drie varianten, namelijk het (gezamenlijk) ouderlijk gezag, gezamenlijk gezag van een ouder en een ‘niet-ouder’ en voogdij. Degene die het gezag heeft, is verantwoordelijk voor de verzorging en de opvoeding van het kind en is bovendien diens wettelijk vertegenwoordiger.

 

Ouderlijk gezag

Indien gedurende een huwelijk of een geregistreerd partnerschap kinderen worden geboren, dan oefenen de ouders automatisch het gezamenlijk ouderlijk gezag uit. Als u in een dergelijke geval gaat scheiden, dan houdt u dat gezag. Het toekennen van ouderlijk gezag aan één van beide ouders na een scheiding, vindt slechts in uitzonderingssituaties plaats. Bijvoorbeeld omdat het belang van het kind zulks vereist.

 

Indien u niet gehuwd bent en geen geregistreerd partnerschap bent aangegaan, dan verkrijgt de moeder van het kind bij de geboorte automatisch het ouderlijk gezag. De vader van het kind kan, mits hij het kind heeft erkend, voor het verkrijgen van (gezamenlijk) ouderlijk gezag een verzoek indienen bij de rechtbank. Sinds 1 april 2014 kan ook de vrouwelijke partner van de moeder het kind erkennen en vervolgens een verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag indienen.

 

Gezag over een kind door een niet-ouder

Het gezag kan ook rusten bij een niet-ouder. Dat kan automatisch indien een kind wordt geboren tijdens een huwelijk of een geregistreerd partnerschap van de moeder met een ander dan de verwekker. Daarnaast is het mogelijk dat de met gezag belaste ouder en een niet-ouder de rechter verzoeken om gezamenlijk met het gezag te worden belast, bijvoorbeeld in het geval dat u na een scheiding het eenhoofdig gezag hebt over uw kind en u en uw nieuwe partner samen het gezag willen uitoefenen. Er is vanzelfsprekend wel een aantal voorwaarden verbonden aan het verkrijgen van (gezamenlijk) gezag door een niet-ouder.

 

Voogdij

Naast de hiervoor genoemde vormen van gezag is er nog een derde vorm: voogdij. In het geval van voogdij betreft het gezag van uitsluitend ‘niet-ouders’, waaronder ook jeugdzorginstellingen kunnen vallen. Voogdij kan aan de orde zijn op het moment dat de ouders van een kind zijn overleden of geen gezag meer (mogen) hebben.

 

Opstellen ouderschapsplan

Ouders die na scheiding het gezamenlijk gezag hebben behouden, moeten afspraken maken over de wijze waarop zij na de scheiding de uitoefening van dat gezag vorm zullen geven. De afspraken hierover dienen te worden opgenomen in een ouderschapsplan. Verplicht is dat in het ouderschapsplan in ieder geval afspraken worden opgenomen over:

  • de verdeling van de zorg en opvoeding van de kinderen;
  • de wijze waarop de ouders elkaar zullen informeren over de belangrijke zaken in het leven van de kinderen;
  • de wijze waarop de ouders de kosten van de verzorging en opvoeding zullen dragen.

Ter zake van de verdeling van de zorg en opvoeding moeten de ouders bepalen bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats zal hebben en op welke momenten het kind bij de andere ouder zal verblijven (zorg- en contactregeling). In een ouderschapsplan kunnen ouders hier zelf een passende regeling voor treffen. Hierbij kan gedacht worden aan het hoofdverblijf bij de ene ouder met één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties bij de andere ouder of een regeling waarin de ouders beide (ongeveer) 50% van de tijd voor de kinderen zorgen (ook wel co-ouderschap genaamd). Ook alle mogelijke varianten hiertussen kunnen in het ouderschapsplan worden opgenomen. Het is van belang hierbij oog te hebben en houden voor de praktische gevolgen voor de kinderen en de ouders, maar ook voor de financiële en fiscale consequenties.

 

De wijze waarop de ouders de kosten van de verzorging en opvoeding na hun scheiding zullen dragen, komt neer op een afspraak over de invulling van de onderhoudsplicht die ouders voor hun kinderen hebben. Na een scheiding wordt dit in de meeste gevallen vorm gegeven door een bedrag aan kinderalimentatie te berekenen, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop de zorg en opvoeding van de kinderen tussen de ouders is verdeeld en het besteedbaar inkomen van beide ouders. Dit teneinde ervoor te zorgen dat beide ouders in staat zijn om de kinderen te kunnen verzorgen en opvoeden.

 

Het opstellen van een ouderschapsplan is een wettelijke verplichting, niet alleen voor ouders die gehuwd of geregistreerd partner zijn (geweest), maar ook voor ongehuwde samenwonende ouders die gezamenlijk het gezag hebben en uit elkaar gaan.

 

Recht op omgang

Voor de ouder zonder gezag geldt dat deze recht heeft op en zelfs de plicht heeft tot omgang met de kinderen. In dat geval dient een omgangsregeling vastgesteld te worden door de ouders of door de rechter. Ook andere personen die een nauwe band met de kinderen hebben, kunnen een omgangsregeling vragen aan de rechter, zoals pleegouders, stiefouders, grootouders en ex-partner(s).

 

Uitvoering ouderschapsplan/omgangsregeling

Aangezien het opstellen van een ouderschapsplan inmiddels enkele jaren verplicht is, beginnen er steeds meer geschillen over de uitvoering daarvan te ontstaan. Het komt bijvoorbeeld steeds vaker voor dat de ouder, bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, de wens heeft om samen met het kind te verhuizen. Bijvoorbeeld vanwege een nieuwe relatie of aanvaarding van een andere baan. De andere ouder kan zich daarin dan niet vinden omdat dit gevolgen heeft voor de lopende zorg- en contactregeling. De rechter dient vervolgens, rekening houdende met de belangen van het kind, te beslissen of de verhuizing mag plaatsvinden.

 

Daarnaast wordt het uitbreiden/beperken en het niet naleven van de vastgelegde zorg- en contactregeling of omgangsregeling vaak aan de orde gesteld. Dat is ook niet vreemd. Een contact-/omgangsregeling wordt immers veelal opgesteld ten tijde van de scheiding. De (in het ouderschapsplan) gemaakte afspraken zullen naar verloop van tijd veelal moeten worden aangepast omdat deze niet meer aansluiten bij de leeftijd en levensfase van het kind. Mochten de ouders dat niet onderling kunnen regelen, dan zal de rechter gevraagd moeten worden een regeling te treffen.

Onze advocaten
    mr. A.A. (Anouk) Broekman-de Feijter Advocaat